2 december 2013

Grietje Groeneweg en Maria Leenheer vermoordden 2 baby's

Grietje Groeneweg is gedoopt op 30-6-1776 in Barendrecht als een dochter van Arij Bastiaans Groeneweg. Arij was als  j.m., geb. te Carnisse, won. te Strevelshoek, op 27-10-1771 in Barendrecht getrouwd met Maria Cornelisse Leenheer, j.d., geb. en won. te Strevelshoek, beiden kerkelijk onder Rijsoord. Maria was gedoopt op 28-8-1746 in Rijsoord als dochter van Cornelis Ariens Leenheer en Maijke Fransen Plaisier.

Op 28-11-1803 stonden Grietje Groeneweg en haar moeder Maria Leenheer terecht in Dordrecht voor de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland. Zij hadden samen 2 voldragen kinderen van Grietje na de geboorte omgebracht.
Grietje had als dienstmeisje gewerkt, eerst in Rhoon, later in Rotterdam. Zij was 2 maal zwanger geraakt en zowel in november 1799 als in mei 1803 in haar ouderlijk huis bevallen, waarbij alleen haar moeder aanwezig was geweest. De buren en familie wisten niets van de zwangerschappen. De eerste baby was overleden nadat het onbedekt in de vrieskou was neergelegd. De tweede baby was gesmoord. Vervolgens begroeven de vrouwen samen de kinderen in de tuin naast het huis.

Tijdens het proces bekenden de vrouwen de moorden en gaven zij ook details prijs, die alleen de daders konden weten. Het vonnis op 2-12-1803 luidde dat moeder en dochter zouden worden gewurgd, destijds de gebruikelijke straf voor een dergelijk misdrijf.
Op 6 december, de avond voordat het vonnis zou worden uitgevoerd, werden de beide vrouwen in hun cellen bezocht door predikanten om te proberen troost te brengen, toen beide vrouwen beweerden "dat zij van het pleegen van dodelijke kindermoorden onschuldig waren". Dat maakte op de predikanten een dermate diepe indruk dat zij nog diezelfde avond met hun verklaringen naar de baljuw gingen om te vragen of er geen sprake kon zijn van een gerechtelijke dwaling. 
Daarop nam de Hoge Vierschaar uitgebreid de tijd om alle getuigen nog eens te horen. Na beraad luidde op 17-10-1804 het vonnis dat beide vrouwen zouden worden gegeseld en gebrandmerkt met voor Maria 40 jaar tuchthuis en voor Grietje 70 jaar tuchthuis, gevolgd door levenslange verbanning uit Holland. 
 
Het Goudse tuchthuis

Maria Leenheer overleed op 4-7-1812 in Gouda, 65 jaar oud. Aan het begin van de 19e eeuw bestond het tuchthuis van Gouda uit verschillende grote en kleine gebouwen, gescheiden door 2 binnenplaatsen. De gevangenen stonden om half 5 op en aten brood. Daarna werkten ze tot 10 uur in één van de werkplaatsen. Van 10 tot 11 uur hadden ze pauze en kregen ze een kop soep. De volgende maaltijd was om 3 uur: ratjetoe (stamppot) of een andere warme schotel. Na een wandeling over de binnenplaats gingen ze weer naar de werkplaats, waar ze tot half 8 aan de slag waren. Na een broodmaaltijd zochten de gevangenen de slaapzaal op, waar om 9 uur het licht uitging. Eens in de 3 maanden nam Iedereen een bad in koud, lauw of warm water, dat bepaalde de arts.

Bronnen: NGV-CD, FamOfSH-CD, M. van Elswijk: De geschiedenis van het Tuchthuis, H. van Dolder-de Wit: De geschiedenis van het Tuchthuis te Gouda (1611-1861) en H. Aartoom's "Justitieklanten in vroeger tijd", blz. 53, gebaseerd op "Baljuw en Hoge Vierschaar van Zuid-Holland 1574-1811".

Geen opmerkingen:

Een reactie posten