20 februari 2013

De 18e eeuwse "Bende van de Witte Veer"

In de 20-er jaren van de 18e eeuw opereerde vanuit de moerassen tussen ’s-Gravenmoer-Capelle, Loon en Waspik een roversbende, die bekend werd als de “Bende van de Witte Veer”. Enkele voorouders van de familie De Jong waren als helers bij de bende betrokken. 


Achtergrond
Omstreeks 1720 werden zigeuners vanuit Holland en Gelre opgedreven en waren velen van hen naar het zuiden gevlucht. Een groep zigeuners, 'heidenen' genoemd, streek neer in het oostelijk deel van het Ravensbos, nabij het gehucht Zandschel. Dit lastig toegankelijke, moerassige gebied lag deels in 's-Gravenmoer-Capelle, dat toen nog tot Holland behoorde, en deels in Loon op Zand in Brabant. De zigeuners vermengden zich waarschijnlijk met de daar ophoudende criminelen. Zij werden bekend als de "Bende van de Witte Veer" en ondernamen vooral in de periode 1722-1726 strooptochten, voornamelijk naar Holland.

De bendeleden

De toenmalige drossaard van Loon, Otto Juijn, maakte zich sterk voor de vervolging van de roversbende. Op zaterdagochtend 2 maart 1724 werd met hulp van het leger een veldtocht gehouden tegen de "Bende van de Witte Veer". Hoewel de zigeuners waren gewaarschuwd, werden er toch 66 opgepakt, inclusief één der bendeleiders, Pieter Willemse alias Swarte Johannes.

Swarte Johannes was ca. 40 jaar oud en geboren in Elspeet. Hij bekende op de pijnbank meer dan 60 misdaden. Hem werd landloperij, bendevorming, diefstal en roverij ten laste gelegd. In de aanklacht stond:"Lid van een bende 'heijdenen, Egyptenaren en Lantloopers'. De bende is gewapend en maakt het platteland onveilig en steelt vee en goederen. Hun werkterrein ligt ook buiten Brabant." Op 19 september 1726 werd Swarte Johannes ter dood veroordeeld. Zijn lijk werd, om ontvreemding te voorkomen, door een militair escorte vervoerd naar de Galgenberg aan het Galgeneind in de Moer. Andere beruchte leden van de bende waren o.a. Lucretia de Heydinne, die in Breda werd opgehangen, Wendelij Meijerse, die werd opgehangen, Blommerandje de vrouw van Swarte Johannes en een zus van de capiteyn van de troep. Gijsbert Adr. van Hoven en Adriaen Pitiou* werden in 1729 vervolgd wegens geweldpleging en lidmaatschap van een misdadige bende.


Op 3 april 1732 werd Hendrik van Emmerik alias Heijn de Ruijter gearresteerd. Hij werd beschuldigd van dieverij van goederen en veldvruchten, bedelen en landlopen. Al eerder, op 16 november 1730, was hij in Breda voor dezelfde vergrijpen “strengelijk gegeseld”. Met zijn cornuiten en bijzit, die onder Teteringen woonden, was hij daarna op oude voet verder gegaan. Zo hadden ze in Oosterhout op de heide Philip Broda zijn snaphaan afgenomen en hem ernstig met messen en stokken verwond. Zijn bijzit had dit geweer naderhand voor ƒ 12,- en nog wat stuivers in Breda verkocht. Heijn had “goedwillig sonder pijn of banden” bekend. Desalniettemin hadden twee geconsulteerde rechtsdeskundigen geadviseerd dat het beter was om hem maar op te knopen om een voorbeeld te stellen. Zo werd Heijn de Ruijter op 28 april 1732 opgehangen. 


De helers
De bendeleden onderhielden contacten met de plaatselijke bevolking, die de gestolen waar (ver)kocht, en, in geval van gevaar, vaak de bendeleden waarschuwde. De schout van Waspik, Adriaan Zeijlmans, werd in 1722 wegens betrokkenheid uit zijn ambt ontheven. Willem van Diemen alias de Ruijter en zijn vrouw, Geertruij de Haan, op de Loonsche Dijk, werden opgehangen omdat zij als helers bij de roversbende betrokken zouden zijn geweest. Ook Jan Petersz de Jongh alias Horeman en diens vrouw, Jenneke van Oosterhout, werden van heling verdacht. 

Meer details
In latere blog posts zal ik meer over de tegen bovengenoemde voorouders gevoerde processen schrijven.