14 december 2012

Overstromingen en herbedijkingen in Zuid-Holland

In de middeleeuwen werd Zuid-Holland vaak geteisterd door overstromingen, zoals op 14 december 1287 en 5 februari 1288, toen de bedijkte Groote Waard deels onder liep. In 1357 werd door Hughe Duykinc begonnen met de bedijking van de St. Antoniepolder, ook "Heer Huijgenland" genoemd. Hoewel de Groote of Zuid-Hollandse Waard door een ringdijk was omsloten, vonden er in 1404, 1411 en 1413 toch overstromingen plaats door een combinatie van een stormvloed en hoog rivierwater. 


In de nacht van 17 op 18 november 1421 vonden opnieuw diverse dijkdoorbraken en overstromingen plaats in Zuid-Holland en Noord-Brabant, die bekend werden als "de Sint-Elisabethsvloed". De Groote Waard en de Heerlijkheid Strijen werden overstroomd. Door hoog water in de rivieren in december brak ook de Merwededijk bij Werkendam. In 1422 volgde een nieuwe dijkdoorbraak. 


Mede door de burgeroorlog tussen de gravin van Holland, Jacoba van Beieren, en haar oom en neef, werden de dijken níet meer hersteld. Plaatsen als Broeck, Weede, Poelwijck, Leijderambacht, Wieldrecht en Dubbelmonde verdwenen voorgoed onder water. De Biesbosch en het Hollands Diep ontstonden, waardoor de latere Hoekse Waard los kwam te liggen van Brabant, terwijl de binnenstad van Dordrecht een eiland was geworden, omgeven door water.



Het begin van de Hoeksche Waard
Pas begin 1436 kwam Jacob van Gaasbeek, heer van Strijen, met een aantal welgestelde ingezetenen van Dordrecht, Strijen, Geervliet en Poortugaal overeen het Oudeland van Strijen weer te bedijken. De nieuwe dijken werden Doolaerdsdijk (thans Boompjesstraat-Weelssedijk) en Westdijk (thans Oude dijk) genoemd. Reeds in 1440 ontstond er een geschil tussen Jacob van Gaasbeek als heer van Strijen en de andere bedijkers en “goede luijden” over de hem toekomende “raepthienden”, die zij moesten betalen over raapzaad. 

De noordwestelijke zeedijk bij Houcke (Hoeksedijk, Maasdamsedijk, Schouteneinde en Schorredijk) had weinig schade opgelopen bij de overstromingen. Daarom volgde in 1439 de inpoldering met winterdijken van het Oudeland van Maasdam en Puttershoek en van Mijnsheerenland van Moerkerken. Waar de dijk eerste een scherpe afbuiging naar het oosten had gemaakt, maakt die sindsdien een scherpe afbuiging naar het westen, zodat de naam “Hoecke” toepasselijk bleef.  







Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen