Posts tonen met het label molen. Alle posts tonen
Posts tonen met het label molen. Alle posts tonen

22 maart 2024

Marie van der Koog-van der Koog (1800-75)

Mijn vader's oudste zus heette Maaike Bos-Bos, omdat zij met haar achterneef was getrouwd. Zo was in de familie Van der Koogh een Maria getrouwd met haar volle neef Adrianus, die zij maar liefst 43 jaar heeft overleefd. Het echtpaar had 6 kinderen, waarvan er slechts 2 hun moeder hebben overleefd.

Opregte Haarlemsche Courant, 1-3-1875

Maria van der Koogh is gedoopt op 2 augustus 1800 in Dordrecht. Haar ouders zijn Hendrik Abrahams van der Koogh (1759-1808) en Maria Huijzers (1767-1845), die ook haar echtgenoot overleefde en in 1812 hertrouwde met Simon van Brakel (1761-1836).
Adrianus van der Koogh is geboren op 14 februari 1796 en gedoopt op de 24e in Middelharnis als jongste zoon van Wilhelmina de Raad en Abraham van der Koogh jr. (1761-1813). Abraham jr. en bovengenoemde Hendrik zijn beiden zonen van Johanna Hendrikse Scholting en Abraham van der Koogh, die zijn getrouwd op 21 mei 1752 in Dordrecht. Deze Abraham is weer een zoon van mijn voorvader Willem Jacobsz. van der Koogh (1689-1762), die molenaar was in Dordrecht.

Daniël van Eck (1817-1895)
Neef en nicht Adrianus en Maria trouwden op 18 oktober 1820 in Dordrecht. Maria was net 20 jaar oud. Adrianus was ruim 24 jaar oud.
Zij kregen de volgende kinderen:
  1. Maria Wilhelmina van der Koogh is geboren op 28-9-1821 in Dordrecht. Zij trouwde in 10-5-1848 met Daniël van Eck (1817-1895). Hij was lid van de tweede kamer der staten generaal toen hij in 1861 hertrouwde met Cornelia Magdalena Makkers. Zijn eerste vrouw, Maria Wilhelmina van der Koogh, is overleden in Dordrecht op 13-2-1856, 34 jaar oud.
  2. Adriana Maria van der Koogh is geboren op 5-6-1823 in Dordrecht. Zij is ongehuwd overleden op 10-9-1883 in Dordrecht, 60 jaar oud.
  3. Henriette Geertruida van der Koogh (I) is geboren op 29-1-1825 in Dordrecht. Zij is aldaar overleden op 20-6-1826, 1 jaar oud.
  4. Abram Hendrik van der Koogh is geboren op 6-3-1826 in Dordrecht. Hij is op 16-jarige leeftijd overleden op 14-5-1842 in een hospitaal in Batavia. 
  5. Henriette Geertruijda van der Koogh (II) is geboren op 14-11-1827 in Dordrecht. Zij trouwde, 45 jaar oud, op 27-12-1872 in Dordrecht met weduwnaar Pieter Johannes Veth (1824-1895), die in Leiden hoogleraar was en kinderen had uit een eerder huwelijk. Henriette Geertruida is als weduwe overleden op 20-7-1898 in Arnhem, 70 jaar oud.
  6. Johannes Jacobus van der Koogh is geboren op 5-9-1829 in Dordrecht. Hij is aldaar overleden op 17-12-1831, 2 jaar oud.
Opregte Haarlemsche Courant, 16-12-1872

Adrianus van der Koogh is op 35-jarige leeftijd overleden op 19 september 1831 in Dordrecht. Twee maanden later overleed zijn jongste zoontje. Geen van zijn kinderen had nakomelingen, al had zijn dochter Henriette Geertruijda wel stief kinderen.

Bronnen: WieWasWie.nl (en voorganger GenLias), RegionaalArchiefDordrecht.nl, District Klappers van Zuid-Holland, Wikipedia.

13 december 2021

Gijsbrecht Lambrechts Cruijck en "De Porceleyne Schotel"

Zakenman Lambrecht Gijsbertsz. Cruijck kocht in 1640 in Delft plateelfabriek “De Dissel” aan de Molslaan. Een plateelfabriek is een aardewerk fabriek waar keramiek wordt geproduceerd. Lambrecht en andere Delftse plateel fabrikanten hadden genoeg geld om experimenten aan te moedigen en innovaties te stimuleren. Daardoor waren de Delftse plateelfabrieken in staat om uitzonderlijke meesterwerken in grote hoeveelheden te produceren. Zo werd Delft één van de toonaangevende keramische centra in Europa.

De oude kerk van Delft

Lambrecht woonde in de Molslaan in Delft met zijn tweede vrouw Annetje Arents en zijn zoon en 3 dochters uit een eerder huwelijk. Lambrecht is overleden op 11-11-1644. Zijn weduwe hertrouwde op 3-5-1646 met weduwnaar Jop Pietersz. Oosterlaan, wiens zoon Pieter daarna met één van haar stiefdochters trouwde.
Een tweede dochter van Lambrecht, Christijna Cruijck (†1677), is in 1643 getrouwd met Wouter van Eenhoorn, die aandelen bezat in plateelfabriek “De Porceleyne Fles”. Een derde dochter trouwde in 1646 met Willem Cleffius (ook: Klestius), afkomstig uit Keulen en wonend in Amsterdam, die ook in plateelfabrieken investeerde.
Lambrecht's enige zoon Gijsbrecht werd meester plateelbakker op 23 oktober 1645. Zijn werk werd al gauw geroemd om de vakkundig gemodelleerde vormen, de elegantie en het licht bleke decor dat afstak tegen een lichte, azuurblauwe achtergrond.

Op 1-7-1646 in Delft werden huwelijkse voorwaarden opgemaakt tussen Gijsbrecht Lambrechts Kruijck, wonend binnen deze stad, en geassisteerd met zijn zwager Wouter van Eenhoorn en zijn oom Harmen Willems Braije, ter eenre, en Annetgen Wouters van Lit, geassisteerd met haar vader Wouter Claess van Lit, ter andere zijde. Het stel trouwde op de 22e.
Kinderen van Gijsbrecht Kruijck werden begraven in Delft op 16-1-1648, 21-12-1648, 16-10-1651, 19-7-1656, 17-11-1657 en 3-4-1663 en een zoon van hem ald. op 2-12-1670. Hoogstwaarschijnlijk zijn Lambertus, Hendrick en Judith, die wèl de volwassen leeftijd bereikten, ook kinderen van Gijsbrecht. In een testament van 24-10-1670 heeft Lambertus Cruijck het over "Gijsbregt Cruijck sijnen vader".

Het eigendom van de in 1651 opgerichte plateelfabriek “De Paauw” aan de Koornmarkt was aanvankelijk onder meerdere mensen verdeeld. In 1663 waren Willem Cleffius, Gijsbrecht Lambrechtsz Cruijck, Wouter van Eenhoorn en Leendert van der Let eigenaren. In 1677 was Gijsbrecht echter geen eigenaar meer.
Gijsbrecht Lambrechtsz. Kruijck betaalde in 1667-68 ƒ1 kadegeld voor "cum socijs voor de plateelbackerie van de Pauw". Ook werd hij aangeslagen voor 3 huizen ("tsedert 1680 nog als plat 12 st").
Behalve van “De Paauw” en “De Dissel” is Gijsbrecht ook nog (mede)eigenaar geweest van plateelfabrieken genaamd “De Witte Ster” en “De Proceleyne Schotel”. De laatste had hij in de 1640-er jaren gekocht van Dirck Hieronimusz van Kessel. Die fabriek was inmiddels uitgegroeid tot een hele rij huizen, schuren en erven. Het bedrijf had ook 2 molens en een eigen kleiwasserij, die aan de oostkant van de stad was gevestigd.
Op 5-10-1671 werd Gijsbrecht Kruijck samen met Pieter Kam door de magistraat afgevaardigd om toezicht te houden op de registratie van contracten tussen meesters en hun leerlingen bij aardewerk fabricage.

10 november 2021

Grutter Jakob Barendregt (1810-81) in 's-Gravendeel

Jakob Barendregt (1810-81) was grutmolenaar in 's-Gravendeel. Hij zou 3 maal trouwen en in totaal 20 kinderen krijgen. Dit is zijn biografie. 

Jakob Barendregt werd geboren op 17-6-1810 op 's-Gravendeel als zoon van Cornelis Pieters Barendregt (±1765-1846) en zijn vrouw Neeltje Hendriks Bouwman (±1774-1830). Jakob had i.e.g. oudere broers Pieter en Hendrik en zussen Adriaantje en Pietertje.

Jakob's broer Pieter Barendregt (1804-1892) trouwde op 21-5-1828 in Wieldrecht met Elizabeth van Ballegooijen (1806-1865). Zij was een dochter van Cornelis van Ballegooijen uit Aalst en Elizabeth Arijs Valk uit Dordrecht, die op 19-4-1799 in Wieldrecht waren getrouwd. Elizabeth had een jongste zus Ida van Ballegooijen.
Ida van Ballegooijen was geboren op 4-10-1814 in Dubbeldam. Zij trouwde op 7-2-1839 in Wieldrecht met haar zwager Jakob Barendregt. Zij zouden samen 6 kinderen krijgen, waarvan alleen Cornelis (1841-1892) en Willem (1844-1910) Barendregt de volwassen leeftijd zouden bereiken. Ida van Ballegooijen is op 31-jarige leeftijd overleden in het kraambed op 21-7-1846 in 's-Gravendeel. Zij was daar 5 dagen eerder bevallen van een dochtertje Neeltje Ida, dat slechts 19 dagen oud zou worden.
In 1846 was Jakob Barendregt nog kastelein van beroep, toen hij aangifte deed van het overlijden van zijn vader. Zijn moeder was reeds in 1830 overleden en ook zijn beide zussen waren in de tussentijd overleden. Zijn broer Hendrik was in 1829 getrouwd met Neeltje Visser.

Jakob Barendregt is hertrouwd op 6-5-1847 in Strijen met Aletta Hendrika Hooghwerff. Zij was geboren in Strijen op 24-8-1816 als dochter van kastelein Bastiaan Hooghwerff en zijn vrouw Maaike Koomans. In 1848 beviel Aletta Hendrika van een dode tweeling, een jongen en een meisje, en ook het jaar daarop was sprake van een doodgeboren dochter. Daarna volgden Neeltje (1850-67), Bastiaan (1851-77) en Pieter (1853-1908), die met 54 jaar de oudste werd van de kinderen uit dit huwelijk. Aletta Hendrika is overleden op 5-1-1854 rond 18:00 in 's-Gravendeel. Van haar overlijden werd aangifte gedaan door haar echtgenoot, grutter Jakob Barendregt, samen met de doodgraver.

Opregte Haarlemsche Courant, 4-3-1862

13 augustus 2019

Arie de Bruijn verongelukte in 1882 op een molen

De 55-jarige Arie de Bruijn was op 15-8-1882 rond 7 uur 's avonds tijdens een onweersbui bezig op een molen in de buurtschap 't Visschertje in de omgeving van de Vissersdijk en de Noordendijk op het Eiland van Dordrecht. Daarbij viel hij uit de molen en kwam met zijn hoofd op een pomp terecht, wat hem zijn leven kostte.

Tilburgsche Courant, 20-8-1882

Arie de Bruijn werd geboren op 4-4-1827 in Dordrecht als oudste zoon van arbeider Adrianus de Bruijn (1802-1877) en zijn vrouw Tijsje Schouten (1800-1884), die beiden afkomstig waren uit Dubbeldam. Arie kreeg jongere broers en zussen met namen als Lena, Cornelis, Jacob, Dirk en Lijntje. Met hen heb ik een gemeenschappelijke voorouder in Arie Robbertsz Valk uit Arkel.

27 maart 2017

Hermen van den Bogerd & molen "De Meerkoet"

Arij van den Bogerd, j.m., geboren in Moerkapelle, wonend onder Rijswijk, trouwde op 18-11-1798 in Delft met Clazina van Mourik, j.d., geboren onder Rijswijk, wonend in de Gasthuislaan. Arij van den Bogerd werd gedoopt op 28-10-1770 in Moerkapelle als zoon van Johannis (Hannis) van den Bogerd en Anna (Antje) van den Berg. Clazina van Mourik is gedoopt op 12-1-1766 in Rijswijk (ZH) als dochter van Hermen van Mourik en Maria Dingena Montenaken. Herman van Maurik, wonend bij de Trasmolen, is begraven in de Oude Kerk van Delft op 23-4-1793. Maria Dingena Montenake, wonend in de Gasthuislaan, weduwe van Herman van Mourik, is begraven bij de Oude Kerk van Delft op 21-12-1798.

Molen “De Meerkoet”
Eén ongedoopt overleden kind terzijde, lieten Arij van den Bogerd en Clazina van Mourik in Rotterdam de kinderen Johannes (1799-1800), Maria Catharina (1801-1849), Anna Adriana (1802-1869), Hermen, Neeltje (1806-1867) en Arij (1811-1847) dopen. Bij het overlijden van hun zoontje Johannes werd vermeld dat zijn ouders woonden te “Jaffa op 't Snuyfmole”. Die molen lag waarschijnlijk ten zuidwesten van de Kralingse Plas in Rotterdam. 

In 1827 kocht Arie van den Bogerd de snuif- en specerijenmolen “De Meerkoet” (foto rechts) in Kralingen. Deze 18e-eeuwse molen was gelegen aan het Veenpad nabij de Spiegelnisserweg ten noorden van de Kralingse Plas. Arie bleef molenaar op deze molen totdat hij, ruim 72 jaar oud, een “hevige borstziekte” kreeg en binnen enkele dagen - op Tweede Kerstdag 1842 - is overleden. Zij weduwe, Klasina van Mourik, overleed een week later op Nieuwjaarsdag 1843. 

19 februari 2017

Molenaar Jacobus Conijn (1823-89) uit Egmond aan Zee

Jacobus Conijn werd geboren op 26-10-1823 in Egmond aan Zee als zoon van Engelbertus ("Engel") Conijn en Aaltje Jans Conijn. Hij was nog maar 8 jaar oud, toen zijn vader in 1832 hoge koorts kreeg en na 10 dagen lijden overleed, 39 jaar en 8 maanden oud. Engel was gedoopt op 13-1-1793 in Egmond aan Zee als zoon van IJsbrant Cornelisz Conijn (1745-1813) en Neeltje Wulberts Groot (1763-1806). Aaltje Conijn, die op 27-8-1815 met Engel was getrouwd, bleef achter met 8 kinderen, waarvan de jongste, IJsbrand (1831-1886), nog een baby was. Zij verdiende vervolgens de kost als broodbakster.

Opregte Haarlemsche Courant, 18-8-1832

Jacobus verkreeg op 11-4-1843 in Alkmaar toestemming om het beroep van korenmolenaar uit te oefenen. Hij was toen 19 jaar oud. Zijn moeder, Aaltje Conijn, is op 70-jarige leeftijd - "na een langdurige ongesteldheid" - overleden op 9-4-1865 in Egmond aan Zee. Zij was aldaar gedoopt op 6-9-1794 als dochter van Jan Jacobsz Conijn (1751-1798) en Aagje Jans Gouda. Aaltje en haar man Engel stammen beiden af van de 17e-eeuwse Jan Gerritsz Conijn en zijn vrouw Lijsbeth IJsbrantsdr.

4 januari 2015

Joost Adriaensz de Pee alias "den Groten Joost" rond 1600

Op 14-9-1619 attesteerde Joost Adriaensz de Pee, omtrent 48 jaren oud en wonende onder Oost-Barendrecht, ten verzoeke van Jan Jansz, molenaar op de molen van Heerjansdam, hoe er op die korenmolen vanouds werd gewerkt met briefjes voor de molenaar en voor de collecteurs. Op dat moment was Joost dus nog geen zelfstandig molenaar. Rond 1625 was Joost Adriaensz de Pee alias "Den Groten Joost" inmiddels wel molenaar in Heerjansdam. Hij was gehuwd met Ploentgen Claesdr, die mogelijk een molenaarsdochter was. 

Den Groten Joost was niet zo snel met betalen, zoals blijkt uit de civiele rollen van de Hoge Vierschaar van Zuid-Holland. Op 24-1-1596, bijvoorbeeld, was Joost Ariensz. 6 Car. gld. 10 st. schuldig aan Claes Jansz., schout van Mijnsheerenland, vanwege de koop van een paar laarzen. Hij diende in mei dat jaar te betalen. Joost was op 18-1-1596 aan Elias van Walscappel, een Dortse koopman in 'greynen', 64 Car. gld. schuldig welke hij met Baafmis 1597 diende te betalen. Baafmis is de feestdag van Sint-Bavo op 1 oktober. Joost was vaker geld schuldig aan Van Walscappel.
Volgens een zaak van 28-11-1598 was Joost Ariensz. aan Jacob van Driel en Arien Ariensz Vinck 35 ponden vlaams en 2 zalmen schuldig vanwege gekochte te velde staande bonen. Betaald diende te worden met kerstmis dat jaar. De ambachtsvrouwe van Heerjansdam liet bij acte van 11-2-1625 door het gerecht van Heerjansdam beslag leggen op het geld dat Huijbert Foppen nog tegoed had van Joost Adriaensz de Pee voor het maken van een molen. En dat zijn nog maar enkele voorbeelden.

Op 4-1-1641 is sprake van "reedende op de pael gestaen hebbende voorden deurstijl van het huys daer de wedue vanden grooten Joost in woont, sijnde het eerste huys van Oostbarendrecht ende staende aende westsijde van den coornmolen aldaer". Dat huis kwam later aan hun zoon Adriaen Joostensz de Pee. Nog in een akte van 19-3-1699 wordt gerefereerd aan dit huis op de grens van Oost-Barendrecht en Heerjansdam als "van outs genaemt het huys van Joost de Pee en latest of nu noch bewoont bij Dirck van der WAel, daer ut hangt het Kooningswape".


Van Den Groten Joost en zijn vrouw Ploentgen zijn 7 kinderen bekend: Adriaen, Cornelia, Elysabet, Jan, Maeyken, Neelken en Claes. Zoon Jan woonde te Kijfhoek en diens zoon Joost woonde op Maasdam. Hun nakomelingen heetten ombeurten Jan of Joost - tot in de 19e eeuw die traditie werd verbroken.

De huidige korenmolen van Heerjansdam, zoals hier rechts weergegeven, dateert uit 1868. 



Bronnen: "De oudere geneaties van het geslacht De Pee uit Heerjansdam" van K.J. Slijkerman in Ons Voorgeslacht No. 600, Mei 2008, Wikipedia en de NGV transcripties van de trouw- en doopboeken van Maasdam.



28 januari 2014

Willem van der Koogh en molen "De Nachtegaal"

Op 28-1-1751 kocht Willem van der Koogh in Dordrecht het molenerf van de in 1747 afgebrande houtzaagmolen "Het Fortuin". Willem bouwde daarop achtkant bovenkruierzaagmolen "De Nagtegaal", een volmolen uit Leiden, die in 1752 naar Dordrecht werd overgebracht. Willem bouwde de molen om tot een houtzaagmolen, maar bleef wel de oude molennaam gebruiken. 

Willem was al molenaar op de volmolen "Het Varken", die hij in 1707 van zijn vader had geërfd.  In 1709 was Willem met molenaarsdochter Jacomina van Duijnen (±1689-1758). Deze familie had de paltrokzaagmolen "De Duijnen" in bezit, die nabij molen "Het Varken" stond. Willem's jongste zoon Nicolaas zou de molen "De Nagtegaal" erven. Tot in 1860 bleef de molen in bezit van de familie Van der Koogh. Vanaf 1918 werd de molen aan een houtzagerij verhuurd en raakte door achterstallig onderhoud in verval. In 1930 werd de molen grotendeels gesloopt en het laatste restant werd in 1965 gesloopt.

Molen "De Nachtegaal" lag in Dordrecht aan de Noordendijk

27 november 2012

Jacobus van der Koog en molen "De Goudvink"

Nadat paltrokzaagmolen "De Goudvink" in 1671 was gebouwd aan de Lijnbaan in Dordrecht, veranderde die verschillende keren van eigenaar. In 1758 kocht Jacobus van der Koogh (1710-93) de hele molen, het molenaarshuis, de loodsen, het balkgat en de gereedschappen voor ƒ1650,-. 

De "Blauwe Molen" (links) en "De Goudvink" (rechts) omstreeks 1869.

Jacobus was de oudste zoon van het molenaarsechtpaar Willem van der Koogh (1689-1762) en Jacomina van Duijnen (±1689-1758). Jacobus van der Koogh, j.m. van Dordregt, wonend op de Noordendijk, bij mondelingh consent van Willem van der Koogh, zijn vader, was op 13-12-1733 in Dordrecht getrouwd met Margrita Kleijn (1707-93), j.d. van Dordregt, wonend bij de Beurs, geassisteerd met Marijke van Immerseel, haer moeder, eerst weduwe van Hendrik Kleijn en nu huijsvrouw van Mattijs Struijkmans. Jacobus en Margrita kregen 8 kinderen. 

Op 16-2-1740 verkochten Jacobus van der Koog, zaagmolenaar, en Grietje Klijn, een object in de omgeving van de beurs aan de Wijnstraat aan Ariaan Meulemans, kleermaker, voor ƒ1460. Het betrof een object van de erflaters Maria van Immerseel en Matthijs Struijckmans, beiden overleden. Jacobus van der Koogh bezat tevens diverse huizen aan en in de omgeving van de Noordendijk. 

Jacobus' oudste zoon, Willem van der Koogh (1734-1809), erfde paltrokzaagmolen "De Goudvink". Willem van der Koogh, j.m., geboren te Dordrecht, wonend op den Noordendijk, met schriftelijk consent van sijn vader, Jacobus van der Koogh, trouwde op 10-6-1781 in Dordrecht met Sijgje Brant, j.d., geboren te Giessendam, wonend op den Hallingendijk. Sijgje's broer Jacob Jillisse Brand (1743-96) was molenaar op een molen in de polder Wieldrecht. 

Willem van der Koogh stelde "De Goudvink" verschillende keren als onderpand bij een lening tussen 1798-1801. Uiteindelijk verkocht Willem de molen in 1804 om zijn schuld af te lossen. 
In de nacht van 29 op 30 november 1872 ontstond brand in de kap van "De Goudvink". De molen brandde geheel af en werd niet meer opgebouwd. 

Bron: J. Zondervan-Van Heck: "Molens en de familie Van der Koogh te Dordrecht" in Gens Nostra, Jaargang 62, Nummer 10, Oktober 2007, Molens en Genealogie.