20 april 2026

Oudnederlandse Term: Schandpaal

Een schandpaal - ook gerechtspaal, geselpaal of kaak - is een paal waaraan iemand als strafmaatregel werd vastgebonden en te kijk werd gesteld. Deze straf moest zo’n diepe indruk op de veroordeelde maken dat die het in het vervolg wel naliet een overtreding te begaan. Naast een schandpaal bestond ook het schandblok en de schandkooi. De laatste was een kooi waarin een veroordeelde persoon, meestal vrouwen die bijvoorbeeld overspel hadden gepleegd, werd opgesloten en opgehesen om te kijk te worden gezet, meestal op het dorps- of stadsplein.
Vooral de gelijktijdige insluiting van benen én armen in het schandblok was een pijnlijke aangelegenheid. Óf je benen óf je armen werden pijnlijk gespreid, afhankelijk van de afstand van de gaten in het schandblok. Deze methode werd soms toegepast als bijkomende straf voor zware misdadigers. Eerst stond de misdadiger te kijk in het schandblok, om vervolgens ter dood te worden gebracht en als lijk tentoongesteld op het galgenveld.
De kaak was oorspronkelijk een ton waarop de te straffen misdadiger tentoon werd gesteld.

Het te schande zetten was bedoeld als een onterende straf, waarbij het publiek de mogelijkheid had om de misdadiger te beschimpen of te bekogelen met rot fruit, paardenvijgen, stenen of andere zaken. Meestal moest men enkele uren aan de paal staan, maar soms wel een hele dag. Ook was het mogelijk dat een veroordeelde aan de schandpaal lijfstraffen opgelegd kreeg, zoals zweepslagen of stokslagen. 

Met name in de Middeleeuwen werd de schandpaal in Europa veelvuldig gebruikt. De schandpaal bleef nog tot ver in de 18e eeuw populair, om halverwege de negentiende eeuw officieel als strafmaatregel te worden afgeschaft.

De betekenis van het gezegde ‘Aan de schandpaal nagelen’ is iemand publiekelijk zeer negatief afschilderen - vaak na vermeend wangedrag van diegene. Ook de uitdrukking ‘Iets aan de kaak stellen’ komt van deze straf, evenals ‘Voor paal staan’.

Bredasche Courtant, 2 april 1825: een man aan de schandpaal

Bronnen: delpher.nl, nl.wikipedia.org, historiek.net, deurnewiki.nl, archeologiehouten.nl, encyclo.nl.

Blogger Widgets

14 april 2026

De Nederlof drieling in Sliedrecht

Leendert Nederlof is geboren te Niemandsvriend en gedoopt in Sliedrecht op 7 januari 1739 als jongere zoon van Commer Jans Nederlof (1705-1769) en zijn vrouw Annigje Bastiaanse de Jong (†1779). Zijn oudere broer Bastiaan trouwde in 1765 met Annetje Liefhebber, dochter van Thomas Gerritse Liefhebber en Marrigje Gemisse Kooijman. Leendert Nederlof trouwde in Sliedrecht op 16 april 1769 met Marigje Liefhebber, een zus van zijn schoonzus Annetje. Leendert en Marigje kregen in Sliedrecht op 6 september 1771 een zoon, waarna zijn moeder Marigje Liefhebber in het kraambed overleed en werd begraven op 12 september. Het zoontje werd op de 15e gedoopt met de naam Marinus, vernoemd naar wijlen zijn moeder. Helaas is hij ook al gauw overleden.

illustratie van een drieling

Leendert Nederlof gaf zich op 25 september 1778 in Sliedrecht aan om te trouwen met Teuntje Abrahams Langerman. Zij was afkomstig van Peursum en werd gedoopt in Giessen-Nieuwkerk op 23 mei 1751 met getuige Geertje Langerman uit Neder-Slingeland. Haar ouders zijn Arjaantje Pieters Teuijtel en Abraham Janse Langerman, die afkomstig was uit Middelkoop.
In de periode 1779-86 kregen Leendert Nederhof en zijn tweede vrouw Teuntje Langerman kinderen genaamd Kommer, Abraham, opnieuw een Marinus, Jacob en Annigje.

Op 11 februari 1794 in Sliedrecht beviel Teuntje Langerman van een drieling. Leendert werd 's morgens omtrent half 5 geboren en had bij zijn doop op de 16e als getuige Marigje Aries Roskam, de vrouw van Pieter Commers Nederlof (1735-1819). Teunis werd omsteeks 9 uur geboren en had als doopgetuige Adriaantje Abrahams Langerman. Adriaan werd geboren rond half 10 en kreeg als doopgetuige Barbara Abrahams Langerman.

Inschrijving in het doopboek van Sliedrecht in 1794 van de drieling Nederlof

Van de drieling was Teunis de eerste die overleed. Zijn vader deed aangifte van zijn overlijden op 3 maart in Sliedrecht en betaalde ƒ3,-. Leendert overleed na ruim een maand. Leendert Nederlof betaalde voor zijn begraven ƒ3,- op 21 maart (zie hieronder). De jongste van de drieling, Adriaan, overleed als laatste. Zijn vader deed aangifte in Sliedrecht op 28 maart in de classe van ƒ3,-.

Aangifte van het lijk van Leendert Nederhof jr., één van de drieling.

De kinderen Kommer (1779-1858), Abraham (1780-1835), Marinus (1782-1860) en Annigje (1786-1867) hebben de volwassen leeftijd bereikt, zijn getrouwd en hebben kinderen gekregen.
Leendert Kommerse Nederlof is overleden in Sliedrecht op 12 augustus 1811, 72 jaar oud. Zijn weduwe, Teuntje Langerman, was 72 jaar oud, toen zij overleed op 28 december 1823 in Sliedrecht.

Bronnen: NationaalArchief.nl (toen het nog GaHetNa.nl heette), WieWasWie.nl (en eerder GenLias), Families Of South-Holland CD (de "Klappers") en aanvullingen van Genealogie Nederlof.

4 april 2026

Susanna van Houten (3) overleed aan de mazelen

Susanna van Houten werd geboren op 3 maart 1811 en gereformeerd gedoopt op 4 april in Rotterdam. Haar ouders zijn Willem van Houten Junior en zijn eerste vrouw Johanna Suzanna Rocques. Als jongeman en jongedochter, beiden geboren te Rotterdam, zijn zij aldaar getrouwd op 24 januari 1802.

Willem van Houten huwde Jeanne Susanne Rocques op 24 januari 1802 in Rotterdam

Willem van Houten Junior was gedoopt op 4 oktober 1778 in de Zuiderkerk in Rotterdam als zoon van Willem van Houten Senior (1744-1820) en diens vrouw Agnita Urvin/Erven.

Willem's eerste vrouw, Jeanne Susanna Rocques, is op 35-jarige leeftijd overleden in Rotterdam op 10 juli 1813. Jeanne Susanna was geboren op 8 augustus 1778 en Waals gedoopt in Rotterdam op de 12e. Haar ouders zijn Anne Rabié en Jean Pierre Rocques.

Binnen een jaar na het overlijden van zijn vrouw Jeanne Susanna, is Willem's dochter Susanna aan de gevolgen van mazelen overleden op 20 april 1814 in Rotterdam.

Rotterdamsche Courant, 21 april 1814

Willem van Houten Junior hertrouwde op 28 februari 1818 in Rotterdam met de 20-jarige Marie Sophie Billiau uit Embden in Duitsland. Zij overleed op 40-jarige leeftijd op 16 juli 1839 in Rotterdam. Willem was nog geruime tijd weduwnaar voor hij overleed op 78-jarige leeftijd op 30 mei 1857 in Rotterdam.

Van de kinderen uit Willem's eerste huwelijk met Jeanne Susanna bereikten Louise Susanne Nau (1806-1845), Christiaan Godfried (1807-1869), Johannes Nicolaas (1803-1869), Pieter Jacobus (1809-1859) en Angenita Anna (1812-1884) de volwassen leeftijd en trouwden.
Van de kinderen uit Willem's tweede huwelijk met Marie Sophie waren het Willem Alexander (1818-1872), Christiaan Frederik (1823-1886), Sophie Louise Agathe (1825-1885), Hendrik Cornelis (1830-1885) en Anna Susanna Maria (1834-1868) die de volwassen leeftijd bereikten en trouwden. Catharina Hermina (1821-1894) en Lodewijk Theodoor van Houten (1832-1871) bleven ongehuwd. De allitererende Herman van Houten (1827-1871) trouwde ook en vertrok met zijn gezin naar Buenos Aires in Argentinië.

Bronnen: StadsArchiefRotterdam.nl, Delpher.nl, WieWasWie.nl.

26 maart 2026

Aart Kleinjan (1794-1848) ging het gevang in wegens mishandeling

De Aart Kleinjan in dit verhaal is geboren op 26 maart 1794 en gedoopt op 13 april in 's-Gravendeel. Zijn ouders zijn Dirk Fleuren Kleinjan en Pietertje Emonts Salders. Aart is een nakomeling van mijn 17e-eeuwse voorouder Arijen Jansz Cleijnjan.
Aart was 28 jaar oud toen hij in 's-Gravendeel op 3 november 1822 trouwde met plaatsgenote Huibje Bussum (1796-1872). Voor haar huwelijk had Huibje al 2 lovenloze kinderen gebaard en na haar huwelijk zouden er nog 6 volgen. Nadat zij in 1830 eindelijk van een levend kind beviel, overleed dat alsnog binnen een jaar. Van al haar 18 kinderen hebben alleen Jacob, Aart Dirk en Neeltje de volwassen leeftijd bereikt.

Aart Kleinjan uit 's-Gravendeel mishandelde een magistraat die zijn functie uitoefende

Arbeider Aart Dirkzoon Kleinjan, 36 jaar oud, geboren te 's-Gravendeel, werd op 17 december 1830 opgesloten in de gevangenis "De Krententuin" op een eiland bij Hoorn. Hij was veroordeeld tot 2 jaar gevangenisstraf wegens "mishandeling en belediging van een magistraat in de uitoeffening zijner functie". Op 25 december 1832 kwam Aart weer vrij.
Kort voor Aart de gevangenis in ging, beviel Huibje op 19 november 1830 rond 16:00 in 's-Gravendeel van haar eerste levende kind. Zij noemde het kind Aart naar zijn vader. De aangifte werd gedaan door de vroedvrouw, die verklaarde dat de vader zich toen in Gouda ophield. Binnen een jaar overleed Aart jr. op 15 oktober 1831.

Gevangenis "De Krententuin" op het Oostereiland bij Hoorn

Aart en Huibje kregen vervolgens zonen Jacob Kleinjan (1833-1917) en Aart Dirk Kleinjan (1834-1913), die beiden trouwden. Een zoontje genaamd David is geboren en overleden in 1836. Op 6 maart 1838 rond 14:00 in 's-Gravendeel lag Huibje weer in het kraambed. De volgende dag deed Aart aangifte van de geboorte van een zoontje met de naam Pieter. Op 17 juli 1839 in 's-Gravendeel deed Aart echter aangifte van het overlijden van zijn dochter Pietertje, overleden op de 16e rond 18:00 en 16 maanden oud.
Aart's volgende kind was Neeltje Kleinjan (1841-1924). Zij zou in 1863 trouwen met plaatsgenoot Teunis de Kreek (1839-1919). Het jongste kind van Aart heette Pieter en is geboren en overleden in 1843.

20 maart 2026

Kort Huwelijk - Marijgien Rietveldt en Cornelis Chiele Bestebreur (1642-1704)

Mijn stamgrootvader Cornelis Chiele Bestebreur - ook “Jongebestebreur” genoemd - werd gedoopt op 17 december 1642 in Puttershoek met als getuige “Lijsbeth, huisvrouw van Claes Jans”. Cornelis is een zoon van schipper Michiel Bestebreur uit de Sint Anthoniepolder en diens eerste vrouw Grietie Heijndrickx, weduwe van Jan Cornelisz. Vredenburgh.

Cornelis Chiele Jonge Bestebreur was jongeman van Puttershoek toen hij in Barendrecht op 12 maart 1662 trouwde met Marijgien Arijensdr. Riedtveldt, jongedochter van Benschop in de provincie Utrecht. Haar ouders zijn Arie Gerritsz. Rietvelt en Maria Jacobs Maijen, wier jongste dochter Neeltje op 28 maart 1660 in Barendrecht is gedoopt.
Cornelis en Marijgie kregen een zoon Cornelis jr. die werd gedoopt op 14 maart 1663 in Puttershoek met doopgetuigen Cemp Jacobsz, Simon Cornelisz, Aegie Cornelis en Helena Theunisz. Marijgien Arijens Rietveldt overleed in het kraambed. Haar huwelijk heeft maar iets meer dan een jaar geduurd.

Cornelis bleef niet lang weduwnaar, want reeds op 12 juli 1663 ging hij in ondertrouw met Francijntje Franssen uit de Klundert, die toen in Dordrecht woonde. Zij trouwden in Puttershoek op 5 augustus 1663. Met Francijntje kreeg Cornelis nog 6 kinderen: Margriet, Hadewij (2x), Frans (2x) en Giel, die allen werden gedoopt op Maasdam. Bij de doop aldaar van zoon Giel op 12 oktober 1670 was de getuige mijn stammoeder Catharijntje Cornelis Polderdijk (±1645-1716).

Cornelis Chiele Bestebreur werd in 1672 op belijdenis lidmaat te Maasdam. Hij was schepen van Maasdam in 1674-75. Op 15 oktober 1680 legde Cornelis een getuigenis af over de op die dag door de wieken van de Puttershoekse korenmolen dodelijk verongelukte, Maasdamse timmerman Johannis Huijbertse.
Cornelis' tweede vrouw, Francijntje Franssen, is overleden in 1694 na een huwelijk van ongeveer 30 jaar. Bij Francijntje's overlijden waren i.e.g. haar dochters Margriet (1664-1701) en Hadewij nog in leven.
Op 1 augustus 1694 werd voor de herberg van Cornelis Chiele Bestebreur op de dijk in Maasdam Jan van der Plas verwond door Heijndrick den Tuijnman en op 3 augustus kwam de schout van Maasdam met 2 schepenen ten huize van Cornelis om de kwetsuren te aanschouwen en verhoor af te nemen.
Op 27 november 1694 kwam de ca. 70-jarige Reijnsburgh Gilles Vinck de dijk in Maasdam af lopen op de stoep achter het huis van Cornelis, toen zij lelijk werd gebeten door de hond van Leendert Vassen. Op haar hulpgeroep kwamen o.a. Cornelis en zijn dochter Margriet af.
De ziek te bed liggende Cornelis Giele Bestenbreur maakte op 24 januari 1700 zijn testament, waarbij hij zijn 2 meerderjarige dochters Margrieta en Hadewij tot universele erfgenamen benoemde - onder voorwaarde dat zij aan hun halfbroer Cornelis Cornelisz Bestenbreur 70 gld. zouden uitreiken in plaats van zijn legitieme portie.

Maasdam

Op 20 november 1701 in Maasdam is Cornelis Chiele Bestebreur opnieuw getrouwd. Zijn derde vrouw was Neeltje Heijndrikx Castelijn, die weduwe was van Jacob Heijmansen Capitein (±1630-1695), wiens derde vrouw zij was geweest. Neeltje had i.e.g. een dochter Stijntje Jacobs Capteijn, die was vernoemd naar Neeltje's moeder Stijntge Cornelisse Sneuckelaer (±1603-1644). Ook had Neeltje een buitenechtelijke dochter die door het leven ging als Cornelia Aerts Coijman.
Cornelis Chiele Bestebeur werd 61 jaar oud en is overleden op 19 september 1704. Hij werd begraven op de 24e in Maasdam. Hij werd overleefd door zijn oudste zoon Cornelis en zijn jongste dochter Hadewij. Cornelis' weduwe, Neeltjen Hendrix Castelijn is overleden op 24 oktober 1709 en begraven op de 27e in Maasdam.
Cornelis' zoon Cornelis Cornelisse Bestebreur werd er in 1686 door Bastiaentje Staessen van beschuldigd de vader van haar dochter Cornelia te zijn. Cornelis trouwde echter op 4 mei 1687 in de Sint Anthoniepolder met Neeltje Ariense Polderdijk (1665-1717) en kreeg met haar 9 kinderen, waaronder een zoon Frans die werkzaam was als schipper.

Bronnen: Transcr. Trouwboeken Puttershoek en Maasdam; Transcr. Lidmatenlijst Maasdam; Slijkerman, Ons Voorgeslacht, 2008, blz. 316; T. v.d. Vorm, Ons Voorgeslacht, 2020, blz. 586; T. Oskam, Utrechtse Parentelen 1, VI-5, blz. 209-2010.