Mijn stamgrootvader Cornelis Chiele Bestebreur - ook “Jongebestebreur” genoemd - werd gedoopt op 17 december 1642 in Puttershoek met als getuige “Lijsbeth, huisvrouw van Claes Jans”. Cornelis is een zoon van schipper Michiel Bestebreur uit de Sint Anthoniepolder en diens eerste vrouw Grietie Heijndrickx, weduwe van Jan Cornelisz. Vredenburgh.
Cornelis Chiele Jonge Bestebreur was jongeman van Puttershoek toen hij in Barendrecht op 12 maart 1662 trouwde met Marijgien Arijensdr. Riedtveldt, jongedochter van Benschop in de provincie Utrecht. Haar ouders zijn Arie Gerritsz. Rietvelt en Maria Jacobs Maijen, wier jongste dochter Neeltje op 28 maart 1660 in Barendrecht is gedoopt.
Cornelis en Marijgie kregen een zoon Cornelis jr. die werd gedoopt op 14 maart 1663 in Puttershoek met doopgetuigen Cemp Jacobsz, Simon Cornelisz, Aegie Cornelis en Helena Theunisz. Marijgien Arijens Rietveldt overleed in het kraambed. Haar huwelijk heeft maar iets meer dan een jaar geduurd.
Cornelis bleef niet lang weduwnaar, want reeds op 12 juli 1663 ging hij in ondertrouw met Francijntje Franssen uit de Klundert, die toen in Dordrecht woonde. Zij trouwden in Puttershoek op 5 augustus 1663. Met Francijntje kreeg Cornelis nog 6 kinderen: Margriet, Hadewij (2x), Frans (2x) en Giel, die allen werden gedoopt op Maasdam. Bij de doop aldaar van zoon Giel op 12 oktober 1670 was de getuige mijn stammoeder Catharijntje Cornelis Polderdijk (±1645-1716).
Cornelis Chiele Bestebreur werd in 1672 op belijdenis lidmaat te Maasdam. Hij was schepen van Maasdam in 1674-75. Op 15 oktober 1680 legde Cornelis een getuigenis af over de op die dag door de wieken van de Puttershoekse korenmolen dodelijk verongelukte, Maasdamse timmerman Johannis Huijbertse.
Cornelis' tweede vrouw, Francijntje Franssen, is overleden in 1694 na een huwelijk van ongeveer 30 jaar. Bij Francijntje's overlijden waren i.e.g. haar dochters Margriet (1664-1701) en Hadewij nog in leven.
Op 1 augustus 1694 werd voor de herberg van Cornelis Chiele Bestebreur op de dijk in Maasdam Jan van der Plas verwond door Heijndrick den Tuijnman en op 3 augustus kwam de schout van Maasdam met 2 schepenen ten huize van Cornelis om de kwetsuren te aanschouwen en verhoor af te nemen.
Op 27 november 1694 kwam de ca. 70-jarige Reijnsburgh Gilles Vinck de dijk in Maasdam af lopen op de stoep achter het huis van Cornelis, toen zij lelijk werd gebeten door de hond van Leendert Vassen. Op haar hulpgeroep kwamen o.a. Cornelis en zijn dochter Margriet af.
De ziek te bed liggende Cornelis Giele Bestenbreur maakte op 24 januari 1700 zijn testament, waarbij hij zijn 2 meerderjarige dochters Margrieta en Hadewij tot universele erfgenamen benoemde - onder voorwaarde dat zij aan hun halfbroer Cornelis Cornelisz Bestenbreur 70 gld. zouden uitreiken in plaats van zijn legitieme portie.
![]() |
| Maasdam |
Op 20 november 1701 in Maasdam is Cornelis Chiele Bestebreur opnieuw getrouwd. Zijn derde vrouw was Neeltje Heijndrikx Castelijn, die weduwe was van Jacob Heijmansen Capitein (±1630-1695), wiens derde vrouw zij was geweest. Neeltje had i.e.g. een dochter Stijntje Jacobs Capteijn, die was vernoemd naar Neeltje's moeder Stijntge Cornelisse Sneuckelaer (±1603-1644). Ook had Neeltje een buitenechtelijke dochter die door het leven ging als Cornelia Aerts Coijman.
Cornelis Chiele Bestebeur werd 61 jaar oud en is overleden op 19 september 1704. Hij werd begraven op de 24e in Maasdam. Hij werd overleefd door zijn oudste zoon Cornelis en zijn jongste dochter Hadewij. Cornelis' weduwe, Neeltjen Hendrix Castelijn is overleden op 24 oktober 1709 en begraven op de 27e in Maasdam.
Cornelis' zoon Cornelis Cornelisse Bestebreur werd er in 1686 door Bastiaentje Staessen van beschuldigd de vader van haar dochter Cornelia te zijn. Cornelis trouwde echter op 4 mei 1687 in de Sint Anthoniepolder met Neeltje Ariense Polderdijk (1665-1717) en kreeg met haar 9 kinderen, waaronder een zoon Frans die werkzaam was als schipper.
Bronnen: Transcr. Trouwboeken Puttershoek en Maasdam; Transcr. Lidmatenlijst Maasdam; Slijkerman, Ons Voorgeslacht, 2008, blz. 316; T. v.d. Vorm, Ons Voorgeslacht, 2020, blz. 586; T. Oskam, Utrechtse Parentelen 1, VI-5, blz. 209-2010.







