Posts tonen met het label ramp. Alle posts tonen
Posts tonen met het label ramp. Alle posts tonen

3 mei 2024

De 3 huwelijken van Cornelia Menheer (1752-89) op Flakkee

Teunis Menheer was gedoopt op 9-5-1721 in Nieuwe Tonge als zoon van Huibregt Jacobsz. Menheer en diens 2e vrouw Cornelia Teunisse van der Haart. Teunis en zijn eerste vrouw Maria Willems Goemaat zijn getrouwd op 13-1-1751 in Den Bommel na een pro deo ondertrouw op 24-12-1750 in Ooltgensplaat. Zij in Stad aan 't Haringvliet op 12-12-1751 een zoon Huijbregt dopen en op 30-12-1752 aldaar een dochter Cornelia. Het begraven van Maria Goemaat werd op 14-3-1754 in Stad aan 't Haringvliet aangegeven. Zij was toen waarschijnlijk net 24 jaar oud, want zij was op 16-4-1730 in Den Bommel gedoopt als dochter van Willem Jacobse Goemaat en zijn tweede vrouw Sara Jans van Leuven.

Cornelia Menheer was een jaar oud toen haar moeder overleed en nog geen 3 jaar oud, toen haar vader Teunis Menheer op 26-10-1755 in Stad aan 't Haringvliet hertrouwde met de 31-jarige Sara Pieterse van der Vliet. Vervolgens kreeg Cornelia in halfzusjes Leentje, gedoopt op 4-2-1759 in Stad aan 't Haringvliet met als getuige haar moeder's tweelingzus Hester van Vliet, en Pietertje, aldaar gedoopt op 14-2-1762.

Zicht op Stad aan 't Haringvliet met rechts het Haringvliet

Cornelia Menheer ging op 19-4-1776 in Stad aan 't Haringvliet in ondertrouw met Jacobus van der Tulp. Hij was in Oud-Beijerland gedoopt op 23-7-1747 als zoon van Cornelia Dircks Niemandsverdriet en haar tweede man, Pieter van der Tulp. Cornelia Niemandsverdriet was op 16-5-1755 van Oud-Beijerland naar Stad aan 't Haringvliet vertrokken met haar kinderen Marijtje (13 jaar, dochter van Kornelis Vos) en Jacobus (8 jaar).
De huwelijkse voorstellingen van Jacobus van der Tulp en Cornelia Menheer gingen op 21 en 28 april en 5 mei, waarna zij op 12 mei in Stad aan 't Haringvliet zijn getrouwd. Hun zoon Pieter werd aldaar gedoopt op 6-4-1777.
In 1779 is Jacobus van der Tulp met een marktschuit, komende van Rotterdam, overboord geslagen en verdronken. Cornelia Menheer liet haar jongste kind dopen op 7-10-1779 met de naam Jacoba, een vernoeming naar Jacobus. Bij deze doop was Pieter Hendriks Plokhooij aanwezig en de getuige was Ariaantje Cornelis Vos, een oudere halfzus van Jacobus.

Cornelia Menheer, weduwe van Jakobus Tulp, en Maarten Teunisz. van der Haart, weduwnaar van Ariaantje Stapels, zijn op 4-5-1781 in Stad aan 't Haringvliet in ondertrouw opgenomen. Het lijk van Maarten van der Haart werd aldaar reeds op 12-9-1781 aangegeven om pro deo te worden begraven. Hun huwelijk had dus maar 4 maanden geduurd.
Maarten is rond 1721 geboren als zoon van Teunis Maartense van der Haart en Neeltje Reinierse van der Tuijnsaat. Dat echtpaar is op 4-5-1720 in Den Bommel in ondertrouw gegaan, terwijl Neeltje reeds op 15-11-1724 in Stad aan 't Haringvliet is hertrouwd met Crijn Arents van Prooijen (“Puroojen”). Maarten was eerst op 2-7-1754 in Den Bommel getrouwd met Ariaantje Jacobs Stapel(s) en had met haar 7 kinderen gekregen.

Cornelia Menheer, laatst weduwe van Maarten van der Haart, is op 7-12-1788 in Stad aan 't Haringvliet getrouwd met Johannes (“Jan”) Huijser(s), j.m., geboren te Bergen op Zoom en wonende, als landbouwknecht, in een woning van Abraham Koppenaal onder de jurisdictie van Middelharnis. Zij waren op 14 november in ondertrouw gegaan.
Op 21-11-1789 beviel Cornelia Menheer van een dochter, waarna zij in het kraambed is overleden. Haar lijk werd op 2-12-1789 in Stad aan 't Haringvliet aangegeven om te worden begraven. Haar dochtertje werd aldaar op 6-12-1789 gedoopt met de naam Cornelia.
Jan Huijser is hertrouwd op 2-5-1790 in Stad aan 't Haringvliet met Ariaantje van Dam. Hij werd aldaar begraven in oktober 1808.

19 augustus 2022

Het Rampjaar 1672

Scherprechter (beul) Johannes Andriessen Kellenaer (1642-76) noteerde in het rampjaar 1672:

"Anno 1672. Den 19den Augustus heb ick mr. Johannes binnen Campen 13 fransoosen gehangen aen twee gerigten op de nieuwe marck, snademiddag om 5 uren begon ick ende twee uren daer na, omtrent 's avonts ten 7 uren had ick all gedaen in 't verwonderen van veel duijsen mensen".

Het rampjaar werd omschreven als "het volk redeloos, de regering radeloos en het land reddeloos", omdat we in het voorjaar van 1672 tegelijkertijd werden aangevallen door Frankrijk, Engeland, Münster en Keulen. Stadhouder Willem III, de latere Engelse koning, stelde - door het doorsteken van dijken - de Hollandse Waterlinie in werking om Amsterdam te beschermen, waardoor de Franse opmars in juli tot staan werd gebracht. De Franse manschappen hebben toen helaas wel vele Nederlandse kastelen geplunderd en vernield.

In augustus werden de gebroeders De Wit door een woedende, door orangistische partijgangers opgezweepte menigte op gruwelijke wijze vermoord. In de herfst haalden de Keulse en Münsterse bisschoppen hun troepen terug, omdat de keurvorst van Brandenburg troepen verzamelde om de Nederlanden te steunen en de bisschoppen bang waren in de rug te worden aangevallen. Pas een jaar later behaalde het leger van de Republiek der Nederlanden de overwinning op de Fransen.

"Franse Tiranny gepleeght op de Hollandtse Dorpen"

Bronnen: "Het Dordtse Scherprechtersgeslacht Kellenaer" van C.R.H. Snijder in "Ons Voorgeslacht", jaargang 70, februari 2015; Geschiedenis van de Lage Landen, Complete Editie, van J. ter Haar; http://rampjaar.blogspot.nl/; Wikipedia.

18 mei 2021

De verdwenen vaders van Wilhelmina Storm en Pieter van der Stolk

Pieter van der Stolk is in augustus 1868 als stuurman naar Napels vertrokken op het brikschip Hermina en is niet meer teruggekeerd. Hetzelfde lot was zijn vader en schoonvader ook overkomen.


Pieter van der Stolk is geboren op 26-2-1827 in Maassluis als zoon van Maria Margaretha de Bruijn (1795-1849) en Cornelis Stolk (die géén tussenvoegsel gebruikte). Cornelis was de oudste zoon van Jan Cornelisz. Stolk (1769-1817) en Cornelia van der Velden (1780-1847) en werd geboren op 9-4-1801en gedoopt op de 15e in Maassluis met getuige Neeltje Stigter. Behalve Pieter had Cornelis ook een zoon Johannes, geboren op 19-9-1824 in Maassluis, en een jong gestorven dochter Kornelia (1829-1832).
Hun vader, Cornelis Stolk, is in 1832 naar IJsland vertrokken ter kabeljauw visserij op een schip genaamd “Algemeen Belang” en daarvan is hij nooit teruggekeerd. Pieter was toen ongeveer 5 jaar oud.

Pieter's oudere broer Johannes van der Stolk is op 14-6-1848 in Maassluis getrouwd met Maartje de Boom (1821-1909). Na een miskraam kregen zij een enige zoon Cornelis Stolk (1850-1902), die zelf 11 kinderen zou krijgen.
Drie jaar later, op 4-12-1851 in Maassluis, is Pieter van der Stolk getrouwd met Wilhelmina Storm. Wilhelmina is geboren op 12-10-1826 in Maassluis als jongere dochter van Aaltje van den Berg en Leendert Storm. Leendert Storm is in 1838 als kapitein uitgevaren naar Nantes (Fr) en niet meer teruggekeerd. Hij is rond de 50 jaar oud geworden.

Huwelijksacte
De huwelijksacte van Pieter van der Stolk en Willemina Storm
vermeldt dat hun beider vaders op zee verdwenen zijn.


21 september 2020

De carrière van zeeman Jacob Jacobse Stam uit Rotterdam

Zeeman Jacob Jacobse Stam werd remonstrants gedoopt op 25-8-1681 in Rotterdam als jongere zoon van Jacob Gerrits Stam (†1729) en diens eerste vrouw Joosje Pots (±1650-1682). De getuigen bij zijn doop waren Geertruit Gerrits (zijn tante) en Gerrit Stam (òf zijn oom òf zijn opa). De remonstranten (ook wel rekkelijken genoemd) waren een afsplitsing van de gereformeerde kerk. Rond die tijd was de remonstrantse kerk officieel verboden, maar werd in de praktijk wel gedoogd.
Jacob Jacobse Stam had o.a. een oudere broer Gerrit, gedoopt op 6-3-1675 in Rotterdam. Hun jongste zus, gedoopt op 5-12-1683 in Rotterdam, werd Joosje genoemd naar hun moeder, die waarschijnlijk kort na haar geboorte is overleden.
Jacob was slechts 4 jaar oud toen zijn vader als weduwnaar op 16-12-1685 is hertrouwd met Maertie Heindricks de Coninck, weduwe van Andries Gerritsz. Bij de zeereizen van Jacob Jacobse Stam worden zijn vader Jacob Stam en stiefmoeder Maertie Heindricks genoemd als begunstigden van zijn inkomsten.

Een fluitschip
Als 20-jarige voer Jacob Jacobse Stam op 25-4-1702 uit als konstabelsmaat op het fluitschip “Jerusalem” voor de V.O.C. kamer van Rotterdam. De “Jerusalem” was een 622-tonner (lengte 130 voet*, breedte 33 voet, holte 14½ voet). Het schip stond onder leiding van schipper Hendrik Bichon met 118 zeelieden en 45 soldaten aan boord.
De konstabel en zijn maat Jacob Stam droegen zorg voor het geschut en de munitie. Als de kanonnen niet gebruikt werden moesten ze zorgen dat ze stevig vastgebonden waren en niet tijdens een storm konden gaan rollen. Zij moesten regelmatig het kruid keren en de vaten heen en weer rollen om te voorkomen dat het kruid ging klonteren. Ook waren zij verantwoordelijk voor de handwapens aan boord, zoals kardoesen, handgranaten, stinkpotten, musketten, pistolen en degens.

Kaap de Goede Hoop
Na 5 maanden op zee deed de “Jerusalem” in Zuid-Afrika Kaap de Goede Hoop aan van 17 september tot 14 oktober. Op 14-1-1703 kwamen zij aan in Batavia (tegenwoordig Jakarta in Indonesië).
Reeds op 5-2-1704 voer Jacob Stam weer uit op de “Jerusalem”, maar deze keer onder leiding van schipper David Kodde. Aan boord waren 70 zeelieden, 21 soldaten, 5 ambachtslieden en 1 passagier. Dit keer deden ze de kaap aan van 17 april tot 10 mei en kwamen ze op 6-9-1704 aan in de Ooster-Eems in Groningen.

Jacob Jacobse Stam was zelf konstabel toen hij op 24-12-1704 vanaf Goeree uitvoer met het nieuwe fluitschip “Monster” voor de kamer van Rotterdam. De schipper was Jan Walburg en er waren verder 107 zeelieden, 54 soldaten en 2 passagiers aan boord. Na een reis van 5 maanden deden zij de kaap aan van 30 mei tot 18 juni. Zij kwamen op 10-9-1705 in Batavia aan. Op 30-6-1708 vertrok het fluitschip “Monster” naar Japan en verging toen in de Chinese Zee.
Gelukkig was Jacob Stam toen níet aan boord. Hij vertrok pas op 28-11-1708 uit Batavia met het fluitschip “Huis te Hemert” voor de kamer van Enkhuizen. Aan boord waren 65 zeelieden, 37 soldaten, 3 ambachtslieden en 11 passagiers. Dit schip deed de kaap aan van 11 maart tot 21 april en kwam op 10-8-1709 op Texel aan.

6 april 2020

Zeeman Doen de Boo (1705-35) uit Hellevoetsluis

Doen de Boo is op 18-10-1705 in Den Briel gedoopt als zoon van Jan Doensz. de Boo en Neeltje Schut. Het betrof een remonstrantse thuisdoop met getuigen Doen Jans en Heiltje [Jans], zijn grootouders.

Doen de Boo uit Hellevoetsluis is op 7-1-1723 vanaf Goeree als matroos uitgevaren voor de kamer van Rotterdam op het schip “Wassenaar”. De schipper was Hendrik Wijman en er waren 143 zeelieden, 81 soldaten en een werkman aan boord. Het schip deed Kaap De Goede Hoop aan van 28 april t/m 29 mei en kwam op 26-8-1723 aan in Batavia (tegenwoordig Jakarta in Indonesië).

Een fluitschip
Doen de Boo vertrok weer uit Azië op 25-11-1723 op het fluitschip “Groenswaart”. De schipper was Bartholomeus Mastrigt. Aan boord waren 96 zeelieden, 15 soldaten en 3 ambachtslieden. De kaap werd aangedaan van 3 maart tot 2 april 1724. Het schip keerde terug op Goeree op 5-7-1724.

Doen de Boo uit Hellevoetsluis is op 11-4-1725 vanaf Goeree als derdewaak (3e stuurman) op het in 1722 gebouwde schip “Patmos” voor de kamer van Rotterdam uitgevaren. Het schip stond onder leiding van schipper Gerrit van Weezel. Er waren 135 zeelieden, 70 soldaten en 6 ambachtslieden aan boord. Het schip deed van 27 juli tot 10 augustus 1725 de Kaap aan en kwam op 14-10-1725 in Batavia aan.

Doen de Boo begon op 20-11-1735 in Batavia aan de terugreis op het schip “Voorburg” onder schipper Nikolaas van Langeveld. De “Voorburg” was een in 1710 op de V.O.C.-werf in Delfshaven gebouwd jacht met een lengte van 130 voet* en een laadvermogen van 600 ton. Het was voorzien van 36 stukken bewapening. De “Voorburg” is echter vergaan in de Indische Oceaan op 31° zuiderbreedte. Dat was het einde van Doen de Boo.

Doen's broer Cornelis de Boo, gedoopt op 26-3-1702 in Den Briel, voer in 1724 voor de V.O.C. als onderscheepstimmerman naar Indonesië. Hij trouwde op 24-1-1728 in Hellevoetsluis met Maria Brouwers. Zij lieten in Hellevoetsluis kinderen dopen, o.a. Cornelia, Pieternella, Johanna, Jan en Maria.
* De Rotterdamse voet is 0,2823 meter.
.

3 maart 2020

Pieter Booij kwam op 3-3-1945 om bij een bombardement

Op 3-3-1945 werd Den Haag gebombardeerd, met name de wijk Bezuidenhout, waar Pieter Booij woonde in de Anna van Saksenstraat. Die morgen waren 61 middelzware bommenwerpers van de geallieerden vertrokken van Melsbroek bij Brussel en van Vitry-en-Artois in Noord-Frankrijk. Hun doel was het Haagse Bos, een park dat de Duitse raketeenheden al enige tijd gebruikten om hun V2-raketten op te slaan en eraan te werken, voordat ze - vanaf wisselende plaatsen - werden gelanceerd. Door een fout in de opdracht die de vliegers hadden meegekregen, gooiden ze hun brisantbommen echter níet boven het Haagse Bos uit, maar vooral ten zuiden daarvan boven de wijk Bezuidenhout en omgeving. De Haagse bevolking werd zwaar getroffen door het bombardement: ruim 550 mensen stierven en ruim 250 waren zwaar gewond. Pieter Booij was één van de dodelijke slachtoffers.

Bezuidenhout na het bombardement

Pieter Booij was geboren in Ridderkerk op 13-10-1887 als zoon van Leendert Booij (±1847-1932) en Geertruij van Gorp (±1848-1921). Hij had broers genaamd Leendert, Dirk en Pleun. Zij zijn nakomelingen in mannelijke lijn van mijn stamgrootouder Jan Janse Booij die in 1691 in Dubbeldam trouwde met Arijaentie Meijboom.
Pieter Booij werkte in Den Haag als adjunct-directeur van de gevangenis en daarnaast als onbezoldigd rijksveldwachter. 
Hij was eerder in Rotterdam op 16-10-1918 getrouwd met Elisabeth Kok. Zij was aldaar geboren op 26-7-1894 als dochter van Samuel Kok (1859-1917) en Keetje van Furth (1855-1917). Samuel was weduwnaar Keetje's jongere zus Mietje van Furth (1865-1891). 
Pieter Booij en zijn vrouw kregen in Rotterdam op 27-3-1920 een dochter Corrie Elisabet Booij. Toen zij in 1939 trouwde met Israel Blok woonde het hele gezin in de stad Groningen.

Nederlandsche Staatscourant, 22-2-1941

Het huwelijk van Pieter Booij en Elisabeth Kok werd op 21-1-1941 bij vonnis van de rechtbank in Den haag door echtscheiding ontbonden. Elisabeth is vervolgens overleden op 13-11-1942 in het Nazi concentratiekamp Auschwitz in Polen. Hun dochter Corrie Elisabeth Booij was daar op 12-10-1942 al overleden. Elisabeth's jongere broer Willem Kok, geboren op 7-12-1902, is overleden op 19-1-1945 in Midden Duitsland.

Bronnen: Jaarboek CBG 2010 deel 64, nl.Wikipedia.orgWieWasWie.nl, Delpher.nl.

31 januari 2020

Dingeman en Gerrit Ardon en de watersnoodramp van 1953

Jan Ardon, gepensioneerd opzichter van Tiengemeten, ging op Nieuwjaarsdag 1951 naar buiten om te roken. Hij werd pas een jaar later terug gevonden in het water bij Stad aan 't Haringvliet. Weer een jaar later zouden ook zijn zonen Gerrit en Dingeman Ardon verdrinken.

Dingeman Ardon
(1921-1953)
Jan Ardon was geboren op 9-2-1881 als zoon van Marijn Ardon (1847-1921) en Willempje Bomgaards. Marijn stamt in mannelijke lijn af van mijn voorouder Jan Dingmans Mathijsen (1612-±1690), die woonde in Lage Zwaluwe en 3 maal trouwde. Marijn Ardon was in dienst als opzichter van Tiengemeten tot 1905, toen zijn zoon Jan de functie overnam.
Jan Ardon is getrouwd op 14-5-1909 in Goudwaard met Maria Schilperoord. Zij is aldaar geboren op 9-1-1888 als dochter van Gerrit Schilperoord en Cornelia Poldervaart. Jan en Maria kregen 7 kinderen, waaronder de zonen Gerrit, geboren op 10-9-1919 in Goudwaard, en Dingeman, aldaar geboren op 28-11-1921.
Gerrit Ardon ging werken als polderwerker en trouwde met Cornelia Helena van den Berg. Dingeman Ardon nam in 1946 de functie van opzichter van Tiengemeten over van zijn vader Jan. Hij trouwde met Cornelia Petronella (“Corrie”) Kooijman en kreeg 2 kinderen, waaronder een zoon Jan.

Algemeen Handelsblad, 30-4-1953
In de nacht van 1 februari 1953 werd ook het eiland Tiengemeten zwaar getroffen door de Watersnoodramp. De gebroeders Ardon verlieten hun gezinnen in de Nieuwe Polder, hen veilig achterlatend in het hoog gelegen dijkhuis van Dingeman. De - aanvankelijk als dijkinspectie bedoelde - tocht over het eiland veranderde al snel in een reddingsactie. De veel te hoge waterstand en de stormwind deden de broers beseffen dat snelle actie noodzakelijk was. 
De arbeiderswoningen op het eiland konden niet telefonisch worden bereikt en dus trokken de mannen bonzend op de deuren door de polder, waarna de gewekte gezinnen werd duidelijk gemaakt om huis en haard zo spoedig mogelijk te verlaten en naar hoger gelegen gebied te vluchten.

De boerderij van Hage in de Oude Polder was de laatste plek waar de gebroeders Ardon levend werden gezien. De mannen besloten daar om de tocht terug te maken naar hun gezinnen in de Nieuwe Polder.
Enkele dagen na de ramp, op vrijdag 6 februari, werd het lichaam van Gerrit gevonden midden op het eiland Tiengemeten, ondersteboven in een sloot. Het lichaam van Dingeman Ardon werd 2 dagen daarna gevonden.
Veel bewoners van Tiengemeten waren het erover eens dat ze de ramp zonder Dingeman en Gerrit Ardon niet zouden hebben overleefd. Van de 22 arbeiderswoningen waren er 20 verdwenen en van de 10 boerderijen waren er 2 vernield.

De Tijd, 28-2-1953

De weduwe van Dingeman Ardon zou een hoge leeftijd bereiken en ook hun zoon Jan Ardon werd ouder dan zijn vader. Het eiland Tiengemeten is tegenwoordig een natuurgebied.

Bronnen: Algemeen Dagblad, Delpher.nl, WieWasWie.nl, WestBrabantsArchief.nl.

31 mei 2017

De grote brand van Loon van 31-5-1737

Op 31 mei 1737 brak een grote brand uit in Loon op Zand. Het was erg droog weer en de krachtige wind stookte het vuur op. In minder dan een uur waren van de hele Noord- en Zuidzijde van de kerkstraat alleen nog nasmeulende puinhopen over. Het was "sulck eene groote erbarmenis, ellende en droefheydt om aen te sien"

Drossaart en schepenen veronderstelden dat, omdat zedert eenige jaeren herwaerts seer veel vagebonden en lantloopers cirmineelijck gestraft en met de doodt geexecuteerd sijn, der selven complicen tot een wraak wel mogten ondernomen hebben, soo als bevoorens daar wel dreijgementen sijn geschiet
Blussen met emmers water
Bronnen: De Brabantse Leeuw, 1985 & Website Brandweer Borger-Odoorn.

20 december 2016

1783, het jaar van de gelige mist

In 1783 opende de aarde zich in IJsland over een afstand van minstens 22 kilometer. Een oppervlak van ca. 565 vierkante kilometer verdween onder een metersdikke laag lava en enorme hoeveelheden giftige gassen kwamen vrij. Meer dan de helft van de IJslandse veestapel werd gedood en een kwart van de bevolking stierf van de honger. 

Van juni t/m september 1783 dreven zwavelwolken naar Europa door uitbarstingen van de vulkaan Laki in IJsland. Daardoor was het noordelijk halfrond die zomer in een waas van gelige mist gehuld. De zwavel tastte de longen aan van de arbeiders op het land en veroorzaakte extra overlijdens, ook onder zuigelingen.

In de noordelijke Nederlandse provincies raakte op de dag van Sint Jan, 24 juni, alles bedekt met een kleverige aanslag. In de schone was, die buiten hing, verschenen roestachtige vlekken. Voorwerpen van metaal begonnen uit te slaan en bladeren aan de bomen verdorden.
S.J. Brugmans schreef dat in de stad Groningen de mist sterk naar zwavel rook wat zorgde voor hoofdpijn en moeite met ademhalen. Eind juni waren de bladeren bruin geworden en vielen van de bomen. De zon was verduisterd en er waren zware onweersbuien.
J.H. van Swinden merkte op: "De velden zien er zeer triest uit. De bomen en planten zijn hun groene kleur verloren en de grond is bedekt met gevallen bladeren. Je zou denken dat het oktober of november was".

J.C. van der Muelen schreef: "Men zoude veeltijds gezegd hebben in de herfst te zijn, en dan duurde de mist nog zo lange niet. De winden die tevooren veranderlijk geweest zijn, zijn toen meer uit ’t N: gekomen, dog meestentijds is ’t weder stil en warm geweest". Op 31 juli schreef hij: "Deze maand van julij is buitengewoon droog en heet geweest. Al de regen nu en dan met donderbuijen is zeer weinig geweest". Hij vervolgde: "Nog iets zeer buitengewoons heeft plaatsgehad: naamelijk de lugt is gedurig met een nevel vervuld geweest, die dan zwaarder dan minder geweest is, en van Junij af tot den 22sten Julij geduurd heeft. Uit de nieuwstijdingen zoude men opmaken dat die nevel bijna door geheel Europa geweest is".
De zomer was in heel Noordwest-Europa uitzonderlijk warm en droog. Onder de met ‘drooge nevel’ beslagen hemel verschroeiden gras, bladeren en gewassen. Er stierven veel meer mensen aan de ‘rodeloop’ (dysenterie) dan in andere jaren, tot wel tienmaal zoveel. De oogst van 1783 mislukte grotendeels. Ook was er grote sterfte onder het vee.

Alleen al in Engeland stierven 23000 mensen ten gevolge van de giftige gaswolken. Daar daalde ook as neer. De Engelse dichter William Cowper schreef in de zomer van 1783: "Zo veel mensen zijn onwel door koortsen dat boeren moeite hebben hun oogst binnen te halen; de werklieden worden bijna dagelijks uit de velden gedragen, niet in staat om te werken en velen sterven." Onderzoek naar parochieregisters heeft geleid tot schattingen van meer dan 20.000 doden in Groot-Brittannië alleen al in de zomer van 1783.

Het vulkanische stof en de gassen in de atmosfeer blokkeerden het zonlicht, waarna een extreem koude en lange winter volgde. Het weer in Europa was daarna nog jarenlang van slag en oogsten mislukten. Grote sociale onrust was het gevolg. 

Zie: When a killer cloud hit Britain, De Zwarte Zomer van 1783, HistoraNet.nl, The eruption that changed Iceland forever, Hoe schadelijk is vulkaanas?  Een aanvullende bron was een artikel in het blad "Promotor" van januari 2013.

25 november 2016

De Gelderse inval in de Alblasserwaard op 25-11-1512

Op 25 november 1512 waren "die Geldersen metter macht in den Alblasserwaert" gekomen "en bornden (branden) en roefden aldaar". Bleskensgraaf werd op die ongeluksdag geheel platgebrand. De kerk met torens en twee torenklokken, twee watermolens en alle huizen op één na werden een prooi der vlammen. 
In de verponding van 1514 van de Alblasserwaard staat "Dese dorpen zijn al meest verbrant, gepilleert (verwoest) ende beroert geweest ende gestelt in verdinghe (afkoop van brandschatting) van den Geldersen, gelijck breeder blijckt bij de (afzonderlijke) informacie, daromme zij dese lasten niet draghen en mogen maer sullen moeten verlicht wesen elck naedat hij beschadicht is geweest". 
De inwoners van Bleskensgraaf verklaarden als "zij het een broot up hebben, dat zij niet weten, waar zij dat ander halen sullen". De molens van Ottoland, Laag Blokland, Goudriaan en Bleskensgraaf waren afgebrand. Giessendam en Giessen-Oudkerk hadden 42 inwoners weggesleept zien worden, waarvan er 2 werden doodgeslagen. Vanuit Hardinxveld werden 180 van de rijkste inwoners weggevoerd.


15 augustus 2016

Afstamming van de heren van Strijen

Afstamming van de middeleeuwse heren van Strijen is voor mij extra leuk omdat mijn ouders tegenwoordig in het dorp Strijen (ZH) wonen. In de middeleeuwen was Strijen een groot gebied. Zo is er nog een stukje ruïne van een toren van het kasteel van Strijen te vinden in Oosterhout (NB). Bij de beruchte Sint-Elisabethsvloed in november 1421 overstroomde het gebied. Daarna heeft het enige eeuwen geduurd voor het land deels weer op de zee werd herwonnen.

De ruïne van het kasteel van Strijen in Oosterhout rond 1656.
Van de middeleeuwse heren van Strijen is weinig bekend. De laatste Willem van Strijen (of Striene) zou in november 1294 zijn overleden. Hij had 2 wettige dochters, waaronder Aleidis, die de heerlijkheid Strijen erfde en getrouwd was met Nicolaas, heer van Putten. Willem had bij een minnares nog een zoon verwekt, Willem van der Weede. Wede of Weeda was een dorp met een groot kasteel. Beiden zijn verdwenen ten tijde van de Sint-Elizabethsvloed: "welk Weede, mettet Stam-Huys, is Verdronken in 'et Jaar 1421 door den grooten Zuyd-Hollandzen Inbreuk".

12 januari 2016

Simon Naaktgeboren is in 1719 op zee gebleven

Simon Naaktgeboren (1691-1719) voer uit voor de Kamer van Zeeland vanuit Rammekens aan de Westerschelde op 3-5-1718. Hij vertrok met het in 1712 gebouwde fluitschip "Strijkebolle" onder leiding van schipper Jacob Blauw. Als botteliersmaat assisteerde Simon de bottelier, die aan boord van een schip verantwoordelijk voor de inkoop van proviand en de rantsoenering daarvan.
Door storm, tegenwind of windstilte kon een reis veel langer duren dan gehoopt. Daarom werd er voedsel meegenomen dat gedurende lange tijd niet gevoelig was voor bederf, zoals scheepsbeschuit, spek, boter, olie, bier, in vaten gepekeld rundvlees en gedroogde granen en peulvruchten. 
Een Fluitschip
Gedurende de eerste 2 of 3 maanden van de reis liepen nieuwelingen vaak al schuurbuik en tering (tuberculose) op, waardoor ze rond liepen met bleke gezichten, blauwe lippen en gezwollen benen. Ook reumatische klachten kwamen veel voor door de koude en vochtige omgeving. Aan het begin van de 18e eeuw wist men nog niet dat de ziekte scheurbuik door een gebrek aan vitamine C kwam, maar dacht men dat het kwam door "onvoldoende lichaamsbeweging", "te zoute voeding" en/of "winterse koude" aan boord van een schip.
Het  fluitschip "Strijkebolle" deed Kaap de Goede Hoop aan van 24 augustus t/m 19 september en kwam op 26-11-1718 in Batavia in Indonesië aan. 

Op 7-7-1719 vertrok het in 1717 in Rotterdam gebouwde fluitschip "Slot van Kapelle" vanuit Batavia. Het schip verdween in een storm op 14-8-1719 in het Nauw van Formosa bij Taiwan. Twee begeleidende schepen, de Catharina en de Meeroog, verdwenen eveneens in de golven. Zo is Simon Naaktgeboren op zee "gebleven".

31 mei 2015

Het rampjaar 1315

Vanaf mei 1315 bleef het ca. 10 maanden vrijwel ononderbroken regenen, terwijl de temperatuur laag bleef. Daardoor kon het graan op de akkers niet rijpen. Door het natte weer kon ook geen zout worden gewonnen, waardoor vlees niet kon worden gepekeld om het langer goed te houden. 
Ook in het voorjaar van 1316 bleef het doorgaan met regenen. Een grote hongersnood volgde, die in grote delen van Noordwest-Europa meer dan 2 jaar aanhield. Het hoogtepunt van de hongersnood kwam in 1317, toen ook in de lente van dat jaar het natte weer aanhield. 

Ziektes als longontsteking, bronchitis, tyfus en tuberculose sloegen toe. Gewone mensen schuwden geen enkel middel om aan een beetje voedsel te komen. De nood was zo hoog, dat in oude kronieken zelfs over kannibalisme en kindermoord werd geschreven. Mogelijk zou 10-15% van de bevolking zijn overleden.


28 januari 2015

Een vroegere woning van mijn grootouders in de Mookhoek is uitgebrand

In de nacht van zondag op maandag jl. is een woning aan de Schaweg in het Nieuw-Bonaventura bij de Mookhoek (ZH) uitgebrand. Toen de brandweer ter plaatse kwam sloegen de vlammen al uit het pand en had ook problemen met het krijgen van voldoende water.

In deze woning heeft mijn moeder met haar ouders gewoond.
Bovenstaande foto is afkomstig van nieuwsopbeeld.nl.

Pieter de Jong
(1892-1973)
In deze woning heeft mijn moeder gewoond met haar ouders, Pieter de Jong (1892-1973) en Willempje Cornelia Zijderveld (1892-1976). Het was een arbeiderswoning, die werd gehuurd van de boer, waar mijn opa voor werkte (meer daarover vindt je bij opa's melkdiploma). De boer betaalde regelmatig maar een deel van opa's salaris uit en opa en enkele van zijn zoons, die ook voor de boer werkten, moesten lange dagen maken.

Na de oorlog eisten mijn ooms, net als andere mensen, een vrije zaterdagmiddag, maar de boer weigerde. Daarop werd de hele familie ontslagen en uit dit huis gezet. Korte tijd verbleef het gezin in het schoolgebouw. Daarna kregen zij een nieuwe woning toegewezen. Dat is de woning die onder liep tijdens de watersnoodramp van 1953.

8 juni 2014

De Capelsche bootramp van Tweede Pinksterdag 1860

Op Tweede Pinksterdag 1860 kon je een pleziervaart à ƒ1 p.p. met de Capelse stoomboot maken heen en terug naar Rotterdam. Om half 2 vertrok de Capelse boot naar Rotterdam.  

De dag tevoren was er een noordwester storm, maar ’s avonds was het wat stiller geworden. Echter, om 11 uur stak een fikse storm op uit het Westen. Te Rotterdam bleven van de Capelse boot vele personen achter, toen deze weer richting de Kil naar het zuiden voer. Nabij Hooge Zwaluwe brak de stag der fok, die noodzakelijks was om het vaartuig in de storm te besturen. 

Toen de kajuit begon vol te lopen waren de meeste mensen naar boven gegaan. Daar sloeg de zee of golfslag spoedig verscheidene weg, anderen sprongen zelf overboord. De hofmeester J. Verhoeven, die een goed zwemmer was en reeds het land genaderd was, had zich kunnen redden, als hij niet geprobeerd had zijn dienstmeid te redden. Hij had haar een touw toegereikt en bracht haar herhaalde malen uit de diepte boven water, waarna hij zelf, uitgeput, met haar in de diepte wegzonk. 

Rotterdamsche Courant, 31-5-1860

Een tiental mensen zaten in de mast en zagen de anderen één voor één van de radarkasten slaan en in de golven verdwijnen. De overlevenden hingen in de mast van ’s avonds half 6 tot de volgende morgen 6 uur, toen een andere boot langs kwam. Men kon nog 9 verkleumde personen van de boot redden. 

29 november 2013

Elisabeth Zijderveld verdronk tijdens een orkaan op 29-11-1836

Op 29 november 1836 werd Nederland getroffen door een orkaan. Bomen werden uit de grond gerukt en gebouwen en huizen raakten beschadigd. 

Overijsselsche Courant, 6-12-1836

Vijf groenteboerinnen vertrokken rond het middaguur in een schuitje uit de Groothoofdshaven en kwamen rond half 4 op De Noord in de problemen, waarna het schuitje begon te zinken.
Tijdens deze ramp verdronken Arie Vermeer, de vrouw en dochter van Aart de Snoo en de vrouw van Kornelis Kreuk. Alleen Lena Wm. de Sno(o) werd gered. 


Arbeider Aart Daniels de Snoo (1794-1861) was op 24-5-1820 in Meerdervoort getrouwd met Elisabeth Zijderveld, de oudste dochter van mijn voorouders Joost Zijderveld (1759-1805) en Jannetje de Bondt (1762-1805). 

10 april 2013

1816, "Het Jaar Zonder Zomer"

Eén van de zwaarste vulkaanuitbarstingen in mensenheugenis, die van de Tambora vulkaan in Indonesië in april 1815, vulde de atmosfeer met enorme stof-, gas- en aswolken, die resulteerden in temperatuurdalingen, waardoor 1816 bekend werd als "Het Jaar Zonder Zomer". 

De Tabora vulkaan is gelegen op het Indonesische eiland Soembawa. Hij was al zo'n 1000 jaar niet meer uitgebarsten, toen hij op 10 april 1815 weer begon te rommelen. Ooggetuigen meldden dat die dag een vuurzuil uit de berg omhoog schoot. Vervolgens regende het grote brokken puimsteen. In een explosie werd te top van de vulkaan eraf geblazen: de berg was oorspronkelijk 4300 m. hoog, na de uitbarsting nog maar 2800 m. Ten gevolge van de instorting werden verschillende eilanden in de Indonesische archipel door vloedgolven getroffen. Grote brokstukken kwamen tot op 40 kilometer afstand neer. Drie dagen lang was de Tambora in een dichte zwarte rook gehuld. De eilanden Bali en Lombok werden getroffen door hevige asregens, waardoor daar de oogst grotendeels werd vernietigd met hongersnood als gevolg. De uitbarstingen hielden 4 maanden aan. Naar schatting vonden ongeveer 70.000 mensen in Indonesië de dood ten gevolge van deze eruptie. 

De uitbarsting van de Tambora zorgde voor een grote toename van fijn stof in de atmosfeer. Daardoor werden de rest van het jaar overal ter wereld bijzonder kleurrijke zonsop- en ondergangen gemeld, terwijl in Hongarije begin 1816 bruine en roze sneeuw viel. 
Het stof veroorzaakte ook een wereldwijde afkoeling. Op het noordelijk halfrond was de temperatuur in 1816 gemiddeld ongeveer 0,3 graden lager dan normaal en het voorjaar en de zomer waren koud. Op veel plaatsen in Europa vroor en sneeuwde het al in augustus, waardoor vele oogsten verloren gingen. Er was hongersnood in Engeland, Ierland, Frankrijk en Zwitserland. Ook was er dat jaar abnormaal zware regenval, met als gevolg dat rivieren als de Rijn overstroomden. De hongersnood en overstromingen veroorzaakten epidemieën van tyfus en cholera, in de hand gewerkt door een verzwakte weerstand, onhygiënische omstandigheden en het rondtrekken op zoek naar voedsel. De hongersnood en voedselrellen duurden voort tot in 1817. 

Tienduizenden mensen uit Zuid-Duitsland kwamen naar Nederland in de hoop daar een overtocht naar Amerika te kunnen krijgen. Amsterdam raakte overvol en de Nederlandse regering trachtte de Duitsers tevergeefs al bij de grens tegen te houden.


Verder lezen: 

31 januari 2013

Familie De Jong en de watersnoodramp van 1953

Mijn moeder, Rie de Jong, was 19 en woonde met haar jongere zus en beide ouders, Pieter de Jong (1892-1973) en Willempje Cornelia Zijderveld (1892-1976), vlakbij de kerk in de Mookhoek, toen tussen half 3 in de nacht van zaterdag 31 januari en 3 uur in de namiddag van zondag 1 februari 1953 de dijken doorbraken in het zuidwesten van Nederland. 

Rie de Jong
Rie de Jong
In de Hoeksche Waard brak 's nachts de dijk van de polder Groot Koninkrijk op 14 plaatsen door, waarna die polder met grote snelheid vol stroomde. De dijk langs de achterliggende Mijlpolder bij 's-Gravendeel was tegen die muur van water niet bestand en bezweek ook. Veel 's-Gravendelers vluchtten naar de Molendijk tussen 's-Gravendeel en Puttershoek, maar in die dijk vielen 12 gaten, waardoor veel 's-Gravendelers om kwamen. Sommige gaten in de dijken werden door de kracht van het water meer dan honderd meter breed en vele meters diep. 

De volgende dag liep de bijna 2500 ha. grote polder Nieuw-Bonaventura vol. Mijn moeder wilde nog iets uit het schuurtje gaan halen, maar zag een enorme muur van water aankomen en vluchtte snel weer het huis in. De begane grond van hun huis liep onder water en het gezin vluchtten naar de zolder. Al gauw stond het water ca. 1,70 m. hoog en dreef er allerlei keukengerei door de kamer. Twee huizen verder zag mijn moeder een dode koe drijven.  

Na een nacht omringd door water werd het gezin De Jong op maandag 2 februari gered. Eerst werden ze opgevangen in Ahoy in Rotterdam. Daarna werd mijn moeder met haar jongere zus ondergebracht bij een gezin in de Van Weelstraat in Rotterdam, dat zelf ook een dochter had. Mijn grootouders werden elders onder gebracht. 
Watersnood in de Mookhoek
De familie De Jong woonde in de tweede woning van links (de derde vanaf de kerk)

Mijn vader, Teun Bos, was met zijn vriend Jan Hoogvliet in de rampnacht pas rond 12 uur 's avonds uit 's-Gravendeel vertrokken. Ze hadden niets gemerkt van de ramp die zich daar die nacht voltrok. Die zondagmorgen was mijn vader net klaar met koeien melken, toen zijn vriend hem kwam roepen, omdat hij iets gehoord had over overstromingen in 's-Gravendeel. Met de jeep reden ze over de Strijense dijk richting de Mookhoek, maar al gauw konden ze niet verder, omdat de dijk vol vee stond. Toen ze terug reden, liep er al water over de dijk vanuit het Land van Essche de polder Nieuw-Bonaventura in en konden ze ook niet meer terug met de jeep. Gelukkig kwam er een legertruck met grote banden uit de richting van Sas met mensen achterin onder het tentdoek en daar mochten ze mee meerijden. Terug op de Keizersdijk wilden de mensen daar niet geloven dat ze omringd waren door water. 

Toen de mensen zich eindelijk realiseerden hoe ernstig de situatie was, zijn ze zandzakken gaan vullen om de Oud-Bonaventuurse dijk tussen Maasdam en Strijen op te hogen nabij Strijen, waar de dijk veel lager was en het water er overheen begon te lopen. Op het laagste punt van de dijk werd meer dan een meter aan zandzakken aangebracht. 's Nachts bewaakten de mannen de gehele dijk en moesten ze alarm slaan als het ergens fout dreigde te gaan, maar gelukkig hield de Oud-Bonaventuurse dijk stand, zodat Cillaarshoek droog bleef.

Ongeveer een week later was het water zover gezakt dat Jan Hoogvliet de op de dijk achtergelaten jeep met de fiets kon bereiken en hem heeft teruggebracht. Tot april toe stond echter ook in de "droge" polders rondom Cillaarshoek een laagje water, omdat de gemalen geen regenwater konden afvoeren naar de ondergelopen gebieden. 

Bronnen: R. Allewijn, Een zee van water, Waterschap 'De Groote Waard', Klaaswaal,1983, en getuigenissen van mijn beide ouders. 

Zie ook: Het melkdiploma van mijn opa De Jong van 1931.

22 januari 2013

De storm van januari 1576

In de nacht van 22 op 23 januari 1576 was er een zware storm. In veel plaatsen waaiden kerken, huizen, keten en molens om. Ook werden mensen bedolven onder ingestortte huizen. 

In zowel Beverwijk, Leeuwarden als Westmaas stortte een kerk in. De omgevallen kerk van Westmaas werd in de zomer van 1576 herbouwd en in 1650 vervangen door de huidige dorpskerk. 


Ook in Gent, Brugge en Luik liepen huizen en kerken veel schade op. De storm veroorzaakte ook een stormvloed, die het water in de Zuiderzee hoog opzwiepte, waardoor enkele dijken doorbraken rondom het IJ. In Leiden raakten mensen bedolven onder ingestortte huizen. 


Een tijdgenoot, ene Cornelis, schreef over de ramp: 

"dat op ten xxiii Januarij lestleden smorgens tussen vier en vijf uijren inden tijde 
als ick quam dat ons kerck om viel 
was een groote aertbeving 
ende op Claeswael is deselfde aertbevinge geschiet also die buijren daer seijden 
men hoorden in alle plaetsen met dage verdriet 
soe van kercken, huijsen keeten ende moelens die daer om gewaeijt waeren 
en oock op sommige plaetsen daer die menschen onder die huijsen waren doot gevallen 
soe in den Briel ende op andere plaatsen."

Den Briel in 1572 (4 jaar voor de storm)
 Zie: Bulletin 112 van de vriendenkring van het Streekmuseum Hoeksche Waard, juni 2010.

5 januari 2013

De strenge winter en overstromingen van 1709

Op 5 januari 1709 begon het plotseling enorm te vriezen, zodat in 4 dagen tijd de rivieren geheel bevroren raakten. Echter, nadat die strenge vorst ongeveer 3 weken had geduurd, sloeg het weer even plotseling om en raakten de rivieren weer los.

Toen het in het begin van februari weer begon te vriezen ontstond er een geweldige ijsdam - lopende van de droogten voor Sliedrecht tot Hardinxveld toe, terwijl alle killen eveneens door het ijs afgesloten waren. Voorbij Dordrecht passeerde er nagenoeg geen druppel water, terwijl men in Gorinchem met schuiten door de straten voer.De dijk van Hardinxveld zonk voor een groot gedeelte weg, zodat er slechts een stuk van 1½ voet breedte op de oude hoogte bleef staan. Op 12 en 13 maart kon men het nog tegen houden met kistingen en rijspakkingen, maar daarna begon het water over de dijk te lopen. Direct werd opdracht gegeven de klok van Hardinxveld te luiden en een lantaarn aan de toren te hangen, wat het sein was voor de bewoners van de Alblasserwaard om zichzelf en het vee te bergen.
Al gauw had het gat een diepte van 26 voet en stond er een enorme stroom. Het gat werd zelfs 56 voet diep en men moest wachten tot de Waard gedeeltelijk vol was om de wiel te kunnen dichten. 7000 schuiten met aarde en zand werden aan de teen van de dijk gestort om het gat te dichten.

Die zomer bleef er 3 à 3½ voet water op het land staan, omdat de bemaling niet sterk genoeg was om het water in korte tijd weg te malen. Geholpen door droogte en oostenwind in de volgende winter gelukte het eindelijk om in maart 1710 de Alblasserwaard weer droog te krijgen.

De Staten van Holland gaven de inwoners van de Alblasserwaard voor zes jaar vrijdom van verponding (grondlasten) en voor vier jaar vrijdom van Hoorngeld en Oorgeld (belasting op koeien en paarden). In 1713 was men nog zo arm dat de Staten nogmaals vrijdom van belastingen moesten geven en wel tot 1717 toe.