Posts tonen met het label overstroming. Alle posts tonen
Posts tonen met het label overstroming. Alle posts tonen

31 januari 2020

Dingeman en Gerrit Ardon en de watersnoodramp van 1953

Jan Ardon, gepensioneerd opzichter van Tiengemeten, ging op Nieuwjaarsdag 1951 naar buiten om te roken. Hij werd pas een jaar later terug gevonden in het water bij Stad aan 't Haringvliet. Weer een jaar later zouden ook zijn zonen Gerrit en Dingeman Ardon verdrinken.

Dingeman Ardon
(1921-1953)
Jan Ardon was geboren op 9-2-1881 als zoon van Marijn Ardon (1847-1921) en Willempje Bomgaards. Marijn stamt in mannelijke lijn af van mijn voorouder Jan Dingmans Mathijsen (1612-±1690), die woonde in Lage Zwaluwe en 3 maal trouwde. Marijn Ardon was in dienst als opzichter van Tiengemeten tot 1905, toen zijn zoon Jan de functie overnam.
Jan Ardon is getrouwd op 14-5-1909 in Goudwaard met Maria Schilperoord. Zij is aldaar geboren op 9-1-1888 als dochter van Gerrit Schilperoord en Cornelia Poldervaart. Jan en Maria kregen 7 kinderen, waaronder de zonen Gerrit, geboren op 10-9-1919 in Goudwaard, en Dingeman, aldaar geboren op 28-11-1921.
Gerrit Ardon ging werken als polderwerker en trouwde met Cornelia Helena van den Berg. Dingeman Ardon nam in 1946 de functie van opzichter van Tiengemeten over van zijn vader Jan. Hij trouwde met Cornelia Petronella (“Corrie”) Kooijman en kreeg 2 kinderen, waaronder een zoon Jan.

Algemeen Handelsblad, 30-4-1953
In de nacht van 1 februari 1953 werd ook het eiland Tiengemeten zwaar getroffen door de Watersnoodramp. De gebroeders Ardon verlieten hun gezinnen in de Nieuwe Polder, hen veilig achterlatend in het hoog gelegen dijkhuis van Dingeman. De - aanvankelijk als dijkinspectie bedoelde - tocht over het eiland veranderde al snel in een reddingsactie. De veel te hoge waterstand en de stormwind deden de broers beseffen dat snelle actie noodzakelijk was. 
De arbeiderswoningen op het eiland konden niet telefonisch worden bereikt en dus trokken de mannen bonzend op de deuren door de polder, waarna de gewekte gezinnen werd duidelijk gemaakt om huis en haard zo spoedig mogelijk te verlaten en naar hoger gelegen gebied te vluchten.

De boerderij van Hage in de Oude Polder was de laatste plek waar de gebroeders Ardon levend werden gezien. De mannen besloten daar om de tocht terug te maken naar hun gezinnen in de Nieuwe Polder.
Enkele dagen na de ramp, op vrijdag 6 februari, werd het lichaam van Gerrit gevonden midden op het eiland Tiengemeten, ondersteboven in een sloot. Het lichaam van Dingeman Ardon werd 2 dagen daarna gevonden.
Veel bewoners van Tiengemeten waren het erover eens dat ze de ramp zonder Dingeman en Gerrit Ardon niet zouden hebben overleefd. Van de 22 arbeiderswoningen waren er 20 verdwenen en van de 10 boerderijen waren er 2 vernield.

De Tijd, 28-2-1953

De weduwe van Dingeman Ardon zou een hoge leeftijd bereiken en ook hun zoon Jan Ardon werd ouder dan zijn vader. Het eiland Tiengemeten is tegenwoordig een natuurgebied.

Bronnen: Algemeen Dagblad, Delpher.nl, WieWasWie.nl, WestBrabantsArchief.nl.

15 augustus 2016

Afstamming van de heren van Strijen

Afstamming van de middeleeuwse heren van Strijen is voor mij extra leuk omdat mijn ouders tegenwoordig in het dorp Strijen (ZH) wonen. In de middeleeuwen was Strijen een groot gebied. Zo is er nog een stukje ruïne van een toren van het kasteel van Strijen te vinden in Oosterhout (NB). Bij de beruchte Sint-Elisabethsvloed in november 1421 overstroomde het gebied. Daarna heeft het enige eeuwen geduurd voor het land deels weer op de zee werd herwonnen.

De ruïne van het kasteel van Strijen in Oosterhout rond 1656.
Van de middeleeuwse heren van Strijen is weinig bekend. De laatste Willem van Strijen (of Striene) zou in november 1294 zijn overleden. Hij had 2 wettige dochters, waaronder Aleidis, die de heerlijkheid Strijen erfde en getrouwd was met Nicolaas, heer van Putten. Willem had bij een minnares nog een zoon verwekt, Willem van der Weede. Wede of Weeda was een dorp met een groot kasteel. Beiden zijn verdwenen ten tijde van de Sint-Elizabethsvloed: "welk Weede, mettet Stam-Huys, is Verdronken in 'et Jaar 1421 door den grooten Zuyd-Hollandzen Inbreuk".

31 januari 2013

Familie De Jong en de watersnoodramp van 1953

Mijn moeder, Rie de Jong, was 19 en woonde met haar jongere zus en beide ouders, Pieter de Jong (1892-1973) en Willempje Cornelia Zijderveld (1892-1976), vlakbij de kerk in de Mookhoek, toen tussen half 3 in de nacht van zaterdag 31 januari en 3 uur in de namiddag van zondag 1 februari 1953 de dijken doorbraken in het zuidwesten van Nederland. 

Rie de Jong
Rie de Jong
In de Hoeksche Waard brak 's nachts de dijk van de polder Groot Koninkrijk op 14 plaatsen door, waarna die polder met grote snelheid vol stroomde. De dijk langs de achterliggende Mijlpolder bij 's-Gravendeel was tegen die muur van water niet bestand en bezweek ook. Veel 's-Gravendelers vluchtten naar de Molendijk tussen 's-Gravendeel en Puttershoek, maar in die dijk vielen 12 gaten, waardoor veel 's-Gravendelers om kwamen. Sommige gaten in de dijken werden door de kracht van het water meer dan honderd meter breed en vele meters diep. 

De volgende dag liep de bijna 2500 ha. grote polder Nieuw-Bonaventura vol. Mijn moeder wilde nog iets uit het schuurtje gaan halen, maar zag een enorme muur van water aankomen en vluchtte snel weer het huis in. De begane grond van hun huis liep onder water en het gezin vluchtten naar de zolder. Al gauw stond het water ca. 1,70 m. hoog en dreef er allerlei keukengerei door de kamer. Twee huizen verder zag mijn moeder een dode koe drijven.  

Na een nacht omringd door water werd het gezin De Jong op maandag 2 februari gered. Eerst werden ze opgevangen in Ahoy in Rotterdam. Daarna werd mijn moeder met haar jongere zus ondergebracht bij een gezin in de Van Weelstraat in Rotterdam, dat zelf ook een dochter had. Mijn grootouders werden elders onder gebracht. 
Watersnood in de Mookhoek
De familie De Jong woonde in de tweede woning van links (de derde vanaf de kerk)

Mijn vader, Teun Bos, was met zijn vriend Jan Hoogvliet in de rampnacht pas rond 12 uur 's avonds uit 's-Gravendeel vertrokken. Ze hadden niets gemerkt van de ramp die zich daar die nacht voltrok. Die zondagmorgen was mijn vader net klaar met koeien melken, toen zijn vriend hem kwam roepen, omdat hij iets gehoord had over overstromingen in 's-Gravendeel. Met de jeep reden ze over de Strijense dijk richting de Mookhoek, maar al gauw konden ze niet verder, omdat de dijk vol vee stond. Toen ze terug reden, liep er al water over de dijk vanuit het Land van Essche de polder Nieuw-Bonaventura in en konden ze ook niet meer terug met de jeep. Gelukkig kwam er een legertruck met grote banden uit de richting van Sas met mensen achterin onder het tentdoek en daar mochten ze mee meerijden. Terug op de Keizersdijk wilden de mensen daar niet geloven dat ze omringd waren door water. 

Toen de mensen zich eindelijk realiseerden hoe ernstig de situatie was, zijn ze zandzakken gaan vullen om de Oud-Bonaventuurse dijk tussen Maasdam en Strijen op te hogen nabij Strijen, waar de dijk veel lager was en het water er overheen begon te lopen. Op het laagste punt van de dijk werd meer dan een meter aan zandzakken aangebracht. 's Nachts bewaakten de mannen de gehele dijk en moesten ze alarm slaan als het ergens fout dreigde te gaan, maar gelukkig hield de Oud-Bonaventuurse dijk stand, zodat Cillaarshoek droog bleef.

Ongeveer een week later was het water zover gezakt dat Jan Hoogvliet de op de dijk achtergelaten jeep met de fiets kon bereiken en hem heeft teruggebracht. Tot april toe stond echter ook in de "droge" polders rondom Cillaarshoek een laagje water, omdat de gemalen geen regenwater konden afvoeren naar de ondergelopen gebieden. 

Bronnen: R. Allewijn, Een zee van water, Waterschap 'De Groote Waard', Klaaswaal,1983, en getuigenissen van mijn beide ouders. 

Zie ook: Het melkdiploma van mijn opa De Jong van 1931.

5 januari 2013

De strenge winter en overstromingen van 1709

Op 5 januari 1709 begon het plotseling enorm te vriezen, zodat in 4 dagen tijd de rivieren geheel bevroren raakten. Echter, nadat die strenge vorst ongeveer 3 weken had geduurd, sloeg het weer even plotseling om en raakten de rivieren weer los.

Toen het in het begin van februari weer begon te vriezen ontstond er een geweldige ijsdam - lopende van de droogten voor Sliedrecht tot Hardinxveld toe, terwijl alle killen eveneens door het ijs afgesloten waren. Voorbij Dordrecht passeerde er nagenoeg geen druppel water, terwijl men in Gorinchem met schuiten door de straten voer.De dijk van Hardinxveld zonk voor een groot gedeelte weg, zodat er slechts een stuk van 1½ voet breedte op de oude hoogte bleef staan. Op 12 en 13 maart kon men het nog tegen houden met kistingen en rijspakkingen, maar daarna begon het water over de dijk te lopen. Direct werd opdracht gegeven de klok van Hardinxveld te luiden en een lantaarn aan de toren te hangen, wat het sein was voor de bewoners van de Alblasserwaard om zichzelf en het vee te bergen.
Al gauw had het gat een diepte van 26 voet en stond er een enorme stroom. Het gat werd zelfs 56 voet diep en men moest wachten tot de Waard gedeeltelijk vol was om de wiel te kunnen dichten. 7000 schuiten met aarde en zand werden aan de teen van de dijk gestort om het gat te dichten.

Die zomer bleef er 3 à 3½ voet water op het land staan, omdat de bemaling niet sterk genoeg was om het water in korte tijd weg te malen. Geholpen door droogte en oostenwind in de volgende winter gelukte het eindelijk om in maart 1710 de Alblasserwaard weer droog te krijgen.

De Staten van Holland gaven de inwoners van de Alblasserwaard voor zes jaar vrijdom van verponding (grondlasten) en voor vier jaar vrijdom van Hoorngeld en Oorgeld (belasting op koeien en paarden). In 1713 was men nog zo arm dat de Staten nogmaals vrijdom van belastingen moesten geven en wel tot 1717 toe.

14 december 2012

Overstromingen en herbedijkingen in Zuid-Holland

In de middeleeuwen werd Zuid-Holland vaak geteisterd door overstromingen, zoals op 14 december 1287 en 5 februari 1288, toen de bedijkte Groote Waard deels onder liep. In 1357 werd door Hughe Duykinc begonnen met de bedijking van de St. Antoniepolder, ook "Heer Huijgenland" genoemd. Hoewel de Groote of Zuid-Hollandse Waard door een ringdijk was omsloten, vonden er in 1404, 1411 en 1413 toch overstromingen plaats door een combinatie van een stormvloed en hoog rivierwater.

Het begin van de Hoeksche Waard

In de nacht van 17 op 18 november 1421 vonden opnieuw diverse dijkdoorbraken en overstromingen plaats in Zuid-Holland en Noord-Brabant, die bekend werden als "de Sint-Elisabethsvloed". De Groote Waard en de Heerlijkheid Strijen werden overstroomd. Door hoog water in de rivieren in december brak ook de Merwededijk bij Werkendam. In 1422 volgde een nieuwe dijkdoorbraak.
Mede door de burgeroorlog tussen de gravin van Holland, Jacoba van Beieren, en haar oom en neef, werden de dijken níet meer hersteld. Plaatsen als Broeck, Weede, Poelwijck, Leijderambacht, Wieldrecht en Dubbelmonde verdwenen voorgoed onder water. De Biesbosch en het Hollands Diep ontstonden, waardoor de latere Hoekse Waard los kwam te liggen van Brabant, terwijl de binnenstad van Dordrecht een eiland was geworden, omgeven door water.

Pas begin 1436 kwam Jacob van Gaasbeek, heer van Strijen, met een aantal welgestelde ingezetenen van Dordrecht, Strijen, Geervliet en Poortugaal overeen het Oudeland van Strijen weer te bedijken. De nieuwe dijken werden Doolaerdsdijk (thans Boompjesstraat-Weelssedijk) en Westdijk (thans Oude dijk) genoemd. Reeds in 1440 ontstond er een geschil tussen Jacob van Gaasbeek als heer van Strijen en de andere bedijkers en “goede luijden” over de hem toekomende “raepthienden”, die zij moesten betalen over raapzaad.
De noordwestelijke zeedijk bij Houcke (Hoeksedijk, Maasdamsedijk, Schouteneinde en Schorredijk) had weinig schade opgelopen bij de overstromingen. Daarom volgde in 1439 de inpoldering met winterdijken van het Oudeland van Maasdam en Puttershoek en van Mijnsheerenland van Moerkerken. Waar de dijk eerste een scherpe afbuiging naar het oosten had gemaakt, maakt die sindsdien een scherpe afbuiging naar het westen, zodat de naam “Hoecke” toepasselijk bleef.

15 november 2012

Geschiedenis van Cillaarshoek

Cillaarshoek is een gehucht in Zuid-Holland. Het bestaat uit lintbebouwing langs de Keizersdijk. Bij een verbreding in het noorden liggen de kerk, de begraafplaats en het verenigingsgebouw. In de 20e eeuw stond daar ook een school, maar die is rond 1980 naar Maasdam verplaatst. Het zuiden, waar de Molenweg en het Molenwegje op de Keizersdijk aansluiten, wordt "'t Meulenend" genoemd. 

Gemeentewapen van de voormalige gemeente Cillaarshoek
Gemeentewapen van de
voormalige gemeente Cillaarshoek

Tot 1832 vormde Cillaarshoek een eigen gemeente. Het gemeentewapen is van goud, beladen met zes leliën van keel, in de volgorde drie, twee, één. Het is afgeleid van het wapen van Weeda, een plaats, die in de St. Elizabethsvloed van 1421 is verdwenen. De middeleeuwse heren van Weeda zouden een groot kasteel hebben bezeten in Nieuw-Bonaventura nabij de huidige Kromme Elleboog. 
In de periode 1813-1818 was Cillaarshoek al bij de toenmalige Maasdam ingedeeld geweest en in 1832 werd die indeling herhaald. Sinds 1984 maakt Cillaarshoek deel uit van de gemeente Strijen. 


Bij archeologisch onderzoek zijn in Cillaarshoek stenen funderingen en aardewerk uit de 14e eeuw aangetroffen. In de omliggende polders, het Oudeland van Strijen en polder Oud-Bonaventura, zijn resten uit de Middeleeuwen en zelfs de Romeinse tijd teruggevonden. 
Hoewel er reeds in 1331 een tolwacht was ter plaatse van het latere Cillaarshoek, is de gemeente waarschijnlijk pas aan het einde van de 15e eeuw ontstaan. Volgens een legende zouden inwoners van Weeda tijdens de St. Elizabethsvloed van 1421 naar de oude ringdijk zijn gevlucht, waar tegenwoordig Cillaarshoek ligt. Cillaarshoek zou zijn afgeleid van "Zielaardshoek", een hoek op de aarde, waar bij de vloed levende zielen waren. 
De Keizersdijk is vernoemd naar keizer Karel V en was eeuwenlang onderdeel van de doorgaande route van Amsterdam naar Parijs. 


Cillaarshoek rond 1790

In oktober 1788 hebben Cillaarshoekenaars de belastinggaarder, Johannes Jacobus de Roy, die tevens koster en schoolmeester was, mishandeld en het dorp uit gejaagd. De Staten van Holland en West-Friesland meenden dat Cillaarshoek "bijna tot eene geheele regeeringsloosheid is vervallen". Zij gelastten de bevolking "zich voortaan stil, vreedzaam en met behoorlijk respect voor, en gehoorzaamheid aan de hooge justitie, mitsgaders, schout en schepenen" te gedragen en "zich te onthouden van samenspanningen, poogingen, bedreigingen en feitelijkheden, ingericht om deszelven het toestaan van hunne begeertens of verzoeken af te perssen". De Roy werd door de drost en schout en schepenen in zijn ambten hersteld. 

In 1731 werd Cillaarshoek door de Staten van Holland en West-Friesland als ambachtsheerlijkheid verkocht aan Sarah de Jongh te Amsterdam voor een bedrag van ƒ 1950,-. Zij was "een seer brave koopvrouw, die een seer groot comptoor van seer sware negotie selfs als een man dirigeerde" en overleed op 5-4-1763. De heerlijkheid werd in 1782 geërfd door de familie De Quesne


De kerk en pastorie van Cillaarshoek

In de periode 1923-1959 was Cillaarshoek eigendom van jonkvrouwe Johanna Henriette Beelaerts van Emmichoven, geboren op 31-1-1879 in Gouda en overleden op 12-4-1959 in 's-Gravenhage. Zij was persoonlijk begaan met het wel en wee van haar pachters en schonk de gebrandschilderde ramen aan de kerk van Cillaarshoek.