19 oktober 2021

Zeilmaker Jan Jansz Bras (1634-1656) en zijn familie

Zeilmakersknecht Jan Jansz. Bras voer als tiener op 2 april 1650 uit op het in 1631 gebouwde spiegelretourschip “Zeelandia” voor de kamer van Rotterdam. Bij vertrek waren er 325 mensen aan boord. Het schip arriveerde op 6 september in Batavia. Op 11 december vertrok het schip weer richting Nederland, maar Jan bleef in Azië.
In 1656 werd Jan ziek en voerde waarschijnlijk enkele gesprekken met een kennis over zijn nalatenschap. Jan overleed dat jaar in “Fort Henricus” op Solor. Solor is een vulkanisch eiland van 40 bij 6 km. Het maakt deel uit van de Kleine Soenda-eilanden van Indonesië. Het belangrijkste product van het eiland was toendertijd sandelhout dat o.a. als reukmiddel werd gebruikt.

De fortificatie op het eiland Solor

Bosschieter Cornelis Aertsz. keerde op 5 juli 1658 terug in Nederland met het spiegelretourschip “'t Slot van Honingen”. Hij legde op 2 september 1658 in Rotterdam een verklaring af  voor de erfgenamen van Jan Jansz. Bras:
Cornelis Aertsz, bosschieter, onlangs thuis gekomen uit Oostindien met het schip “'t Slot van Honingen”, verklaart op verzoek van Jannetge Jans, weduwe van Willem Pietersz, Maeyken Lubberts, vrouw van Adriaen Harmansz, en Lijsbet Claes, erfgenamen van Jan Jansz Bras, die in het jaar 1650 met het schip “Zeelandia” als zeylmaecker naar Oostindien is gevaren en in 1656 in het Fort Henricus op Solor is overleden, dat zij Bras goed hebben gekend, en bij zijn ziekte en sterven aanwezig zijn geweest, en met hem gesprekken hebben gevoerd over de goederen en gage die hij zou nalaten. Bras verklaarde dat hij geen testament heeft gemaakt, maar mondeling te kennen gegeven dat zijn gage en na te laten goederen naar zijn erfgenamen zullen gaan; de 8 rijksdaalders die in zijn kist zitten, zullen naar degene gaan die hem ter aarde zullen bestellen.
Op 24 september 1658 in Rotterdam was er opnieuw sprake van de erfgenamen van Jan Bras:
Claes Jansz van der Schoot en Joost Jaspersz Maes stellen zich resp. borg voor de gelden die Lijsbet Claes, dochter van Claes Lubbertsz en Maeijken Lubbertsz, en Jannetgen Jans van de Oostindische Compagnie tegoed hebben als erfgenamen van Jan Jansz Bras, die als seylmaker met het schip Zeelandia naar Oostindien is gevaren.
Bijna een jaar later - op 25 juli 1658 - werd aldaar meer duidelijk over de familie van Jan Bras:
Claes Jansz van der Schot of Schoot, 62 jr, Gijsbert Pietersz Roch, backer, 37 jr, en Jan Claesz van der Schoot, 31 jr, verklaren op verzoek van Jannetge Jans, weduwe van Willem Pietersz, Maeyken Lubbers, vrouw van Adriaen Harmansz, en Lijsbet Claes, dat zij ene Jan Jansz Bras, die in 1650 met het schip Selandia van hier als zeylmaecker naar Oostindie is gevaren, goed hebben gekend. Zij hebben begrepen dat hij, en zijn broer Cornelis Jansz Bras, die gediend heeft bij capiteyn De Munnick, in 1656 in het Fort Henricus op Solor is overleden. Jannetgen Jans was zijn enige tante van vaderszijde, Maeyken Lubbers zijn tante van moederszijde en Lijsbet Claes een nicht, eveneens van moederszijde, en dus zijn echte erfgenamen, aangezien hij geen broers of zusters meer in leven had.
Voor vertrek bleek Jan Bras een testament te hebben gemaakt op 9 maart 1650 in Rotterdam:
Jan Jansz Bras, 16 jr, die als seylmakersknecht met het schip Seelandia naar Oost Indien vertrekt, benoemt zijn moeder Stijntge Lubbertsdr., thans gehuwd met Pauwels Jansz, linnewever, wonende in de Cnollemanssteech, tot zijn erfgename.
Ook de ouders van Jan Bras, Jan senior en Stijntgen Lubberts, bleken in Rotterdam een testament te hebben laten maken en wel op 11 juli 1634:
Jan Jansz Bras en zijn vrouw Stijntgen Lubberts benoemen elkaar wederzijds tot universeel erfgenaam.

Stijntge Lubbers, j.d., en Jan Jansse, j.m., gingen in ondertrouw in Rotterdam op 1-5-1633 en trouwden op de 16e. Stijntge en Jan sr. lieten hun zoon Jan dopen op 25-12-1634 in Rotterdam. Jan is dus waarschijnlijk maar 21 jaar oud geworden.
Jan's eveneens in Indonesië overleden, jongere Cornelis is waarschijnlijk op 7 oktober 1637 in Rotterdam gedoopt. Hoewel bij die doop het verkeerde patroniem van de vader wordt opgegeven, wordt bij de getuigen wel een Maertge Lubbers genoemd, die dezelfde kan zijn als de tante Maeijken Lubbers, die aanspraak maakte op de erfenis van Jan.
Strijntge Lubbers, weduwe van Jan Jansz. Bras, en Paulus Jansz., j.m. van Den Briel, gingen in Rotterdam in ondertrouw op 3 juni 1640 en trouwden op de 17e. Stijntge liet met Paulus op 2-5-1641 in Rotterdam een dochter Lijsbet dopen. Aangezien zij niet als erfgename wordt genoemd, zal Lijsbet jong zijn overleden.

Over de onderlinge relaties in de familie van Jan's moeder Stijntge werd op 6 juli 1647 in Rotterdam een verklaring afgelegd:
Maycken Cornelisdr, 72 jaar, weduwe van Lubbert Claesz Stellingwerf, Bartel Jans, backer, 43 jaar, Jan Leenderts, coperslager, 30 jaar, en Willemtgen Jans, 59 jaar, leggen een verklaring af op verzoek van Huybert Jans, man van Mayken Lubberts, en Pauwels Jans, man van Stijntge Lubbertsdr., en Claes Lubberts. Zij verklaren dat Mayken, Stijntge en Claes Lubberts kinderen zijn van Mayken Cornelisdr en Lubbert Claesz Stellingwerf. Deze laatste was een zoon van Henrickge Claesdr. en Claes Henricx, echtelieden. De kinderen hebben dus - naast Cornelis Syberts - recht op een deel van de erfenis van Henrickge Claesdr., hun bestemoeder, overleden te Holtwout in Stellingwerf. Huybert Jans en Pauwels Jans machtigen hun vrouwen en de vrouw van Claes Lubberts om de erfenis van hun grootmoeder met de andere erfgenamen te delen.
Op 29 november 1651 werd uiteindelijk overeenkomst bereikt over de erfenis van Stijntge's moeder:
Huijbert Jansz, de man van Maeyken Lubberts, en Pouwels Jansz, man en voogd van Stijntge Lubberts, die elk voor eenderde deel erfgenamen zijn van de nalatenschap van Maertge Cornelis, weduwe van Lubbert Claesz Stellingwerff, verklaren na enige jaren een overeenkomst te hebben bereikte over verdeling van deze nalatenschap met Tryntge Wynants, nu weduwe van Claes Lubbertsz, zoon en mede-erfgenaam van Maertge Cornelis. Zij had procuratie van haar man volgens akte dd. 13-12-1643 bij notaris Gerrit van der Hout. Tryntge krijgt het huis en erf aan de westzijde van de Oppert of Nieupoort bij het Hofpoortge, geregistreerd op no. 1858, mits dat zij alle schulden van de boedel op zich neemt.

Stijntge Lubbertss, 33 jaar, vrouw van Paulus Jans, legde zelf op 13 juni 1645 een verklaring af. Zij is dus geboren rond 1612 als dochter van Lubbert Claesz. Stellingwerf en zijn vrouw Maijken Cornelisdr. Stijntge's familie was afkomstig uit de Friese Wouden. Haar grootouders heetten Claes Henricx en Henrickge Claesdr.  
Stijntge's zus Maeijke was eerst getrouwd met Huijbert Jansz. en later met Adriaen Harmansz. Hun broer Claes is overleden vóór oktober 1651, toen zijn weduwe Trijntge Wijnants opnieuw in ondertrouw ging.
Het begraven van Stijntge Lubbers, de vrouw van verver Pouwel Jansz., werd aangegeven in Rotterdam op 6-2-1656. Stijntje is ongeveer 43 jaar oud geworden. De erfenis van Stijntge's zoon Jan ging dus naar haar zus Maeijken Lubberts, haar schoonzus Jannetgen Jans Bras en naar Lijsbeth Claes, de op 18 augustus 1643 in Rotterdam gedoopte dochter van haar broer Claes Lubbertsz.

Bronnen: StadsArchief.Rotterdam.nl, Huygens.knaw, VOCsite.nl, Wikipedia.nl.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten